ECLI:NL:HR:2017:671
Hoge Raad · 14-04-2017 · zaaknummer 15/02203
Inhoudsindicatie
Inkomstenbelasting. Art. 6, 48 en 49 Wet IB 1964; art. 7 en 13 Verdrag Nederland-België 1970; art. 16, lid 4, en 47 AWR; art. 6, lid 2, EVRM. Betrokkenheid bij via een groot aantal lichamen verrichte transacties betreffende Nederlandse bedrijven vormt voor belanghebbende een onderneming. Samenloop met strafzaak. Schending onschuldpresumptie doet niet af aan de feitelijke vaststellingen en de daaraan door het Hof verbonden fiscale gevolgen. Navorderingsaanslag voldoende voortvarend opgelegd? Een (mogelijk) pleitbaar standpunt van de belanghebbende dat hij niet belastingplichtig is, ontslaat hem niet van zijn verplichting te voldoen aan een inlichtingenverzoek aangaande zijn (eventuele) belastingplicht. In Nederland woonachtige of gevestigde zakenpartner kan vaste vertegenwoordiger zijn. Omvang van aan de vaste inrichting toe te rekenen winst.
Advocaten
- I. de Roos
- R.E.C.M. Niessen
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
