ECLI:NL:HR:2017:2316
Hoge Raad · 12-09-2017 · zaaknummer 16/01518
Inhoudsindicatie
N-o verklaring in h.b. Uitleg van de in art. 408.1.c. Sv neergelegde eis dat de verdachte “tevoren bekend was met de dag van de (nadere) terechtzitting”. Slagende motiveringsklacht. In het licht van de wetsgeschiedenis brengt een redelijke wetsuitleg mee dat art. 408.1.c. Sv inhoudt dat indien zich een omstandigheid voordoet waaruit blijkt dat de dag van de (nadere) tz. de verdachte voorafgaand aan (de aanvang van) die (nadere) tz. bekend was, de beroepstermijn van veertien dagen na de einduitspraak geldt. Het Hof heeft weliswaar overwogen dat de verdachte – naar eigen zeggen – op de dag van de tz. van de Pr heeft kennisgenomen van de rechtsdag, maar heeft niet vastgesteld dat die kennisname plaatsvond voorafgaand aan (de aanvang van) die tz. en evenmin dat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend was. Volgt vernietiging en terugwijzing.
Advocaten
- G. Knigge
- J.L.E. Marchal
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
