ECLI:NL:HR:2016:313
Hoge Raad · 23-02-2016 · zaaknummer 13/03660
Inhoudsindicatie
Beklag, beslag op tegoeden van bankrekeningen ten name van minderjarige klagers, artt. 94a en 552a Sv. De HR herhaalt relevante overwegingen uit HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823. Oordeel van de Rb dat hoewel de bankrekeningen zijn gesteld ten name van de minderjarige klagers, sprake is van een schijnconstructie om het verhaal op vermogen dat feitelijk aan de verdachte (mede) toebehoort te frustreren is niet onbegrijpelijk. In de overwegingen van de Rb ligt besloten dat niet buiten redelijke twijfel is dat de tegoeden van de bankrekeningen aan de klagers toebehoren. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Hetgeen de Rechtbank heeft overwogen met betrekking tot de wetenschap van de minderjarige klagers van de schijnconstructie, kan buiten beschouwing blijven, omdat de Rb niet hoefde te onderzoeken of zich de situatie van art. 94a lid 3 of 4 Sv voordoet. Conclusie AG: anders.
Advocaten
- E.J. Hofstee
- J.J.J. van Rijsbergen
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
