ECLI:NL:HR:2015:907
Hoge Raad · 07-04-2015 · zaaknummer 14/02690
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen slechts in het geval als bedoeld in art. 359.3 tweede volzin, Sv (bekennende verdachte) mag worden verwezen naar de processtukken vindt geen steun in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) noch in de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van art. 359.3 tweede volzin, Sv. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Daarin is als aan de wetsgeschiedenis ontleend voorbeeld van een klacht die geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, genoemd de klacht “waarin de duidelijke strekking van de wet of vaste rechtspraak wordt miskend”. Gelet hierop verklaart de HR - gezien art. 80a RO - het beroep in cassatie n-o.
Advocaten
- P.C. Vegter
- R.P. Snorn
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
