ECLI:NL:HR:2015:347
Hoge Raad · 17-02-2015 · zaaknummer 14/03187
Inhoudsindicatie
Voorwaardelijk opzet doodslag, art. 287 Sr. Met zijn overweging dat “verdachte uit de enkele omstandigheid dat hij het so. op enig moment niet meer waarnam, onder de gegeven omstandigheden redelijkerwijze niet de conclusie heeft mogen trekken dat het so. zich niet meer voor de vrachtwagen bevond” heeft het Hof, dat heeft vastgesteld dat verdachte reeds na een seconde is doorgereden, als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verklaring van verdachte dat hij “dacht dat het so. in de berm zou staan” niet aannemelijk is. Daarvan uitgaande en mede in aanmerking genomen dat verdachte het so. in het zicht heeft gehad toen deze aan de vrachtwagen hing, hij door telkens te remmen en weer langzaam op te trekken heeft geprobeerd het so. ertoe te bewegen de vrachtauto los te laten, en hij op een gegeven moment het so. niet meer zag, geeft ’s Hofs oordeel dat verdachte door verder te rijden met de vrachtauto, bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het so. zou komen te vallen en zou komen te overlijden door onder de rijdende vrachtauto te komen, niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.
Advocaten
- E.J. Hofstee
- J. Boksem
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
