ECLI:NL:HR:2014:1655
Hoge Raad · 08-07-2014 · zaaknummer 12/02422
Inhoudsindicatie
1. Salduz-verweer. 2. Strafoplegging. Draagkracht. 3. Middel BP: art. 81.1 RO. 4. Ambtshalve: schending van de redelijke termijn in cassatie en partiële verjaring van feit 1 primair. Ad 1. Klacht is terecht voorgesteld, maar behoeft niet tot cassatie te leiden nu het Hof de door verdachte bij de FIOD afgelegde verklaringen niet als bewijsmiddel heeft gebezigd. Ad 2. Met zijn overweging dat niet aannemelijk is dat verdachte “thans en naar redelijkerwijs te verwachten valt in de toekomst” geen inkomsten zal kunnen verwerven om de geldboete te voldoen, heeft het Hof tot uitdrukking gebracht dat het het standpunt van de verdediging dat verdachte in een faillissementssituatie verkeert niet als juist aanvaardt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en is toereikend gemotiveerd. Mede in het licht van hetgeen door en namens verdachte voor het overige omtrent zijn huidige financiële situatie is aangevoerd, is de oplegging van de geldboete ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk. Aldus heeft het Hof zich in zijn overweging rekenschap gegeven van de bij de vaststelling van de geldboete ingevolge art. 24 Sr in acht te nemen draagkracht van verdachte.
Advocaten
- C.H.W. Janssen
- F.W. Bleichrodt
- M.J.N. Vermeij
- S.F.W. van 't Hullenaar
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
