ECLI:NL:HR:2013:BZ7152
Hoge Raad · 16-04-2013 · zaaknummer 11/03655
Inhoudsindicatie
1. Ontvankelijkheid OM in de vervolging. Aanwijzing Opiumwet 6-2-2002 (Stcrt. 2002, 46). 2. Last tot tul; art. 14g.3 Sr. Ad 1. HR herhaalt HR LJN BO4015 m.b.t. de aan de Aanwijzing te geven uitleg. V.zv. het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking heeft gebracht dat verdachte op het in de Aanwijzing vastgelegde ‘gedoogbeleid’ geen beroep kan doen omdat de 5 in zijn tuin aangetroffen hennepplanten een opbrengst genereren die de geringe hoeveelheid voor eigen gebruik, a.b.i. de Richtlijn voor strafvordering Opiumwet, softdrugs 2-11-2000 (Stcrt. 2000, 250) ruimschoots overstijgt, getuigt dat oordeel van een onjuiste rechtsopvatting. Voorts is dat oordeel niet toereikend gemotiveerd. De HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af en verklaart het OM n-o in de vervolging. Ad 2. De gegrondbevinding van het eerste middel brengt mee dat aan de in art. 14g.3 Sr gestelde voorwaarde voor het toewijzen van de vordering tot tul niet is voldaan.
Advocaten
- A.J. Machielse
- R.L.A. Klaassen
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
