ECLI:NL:HR:2012:BR0400
Hoge Raad · 31-01-2012 · zaaknummer 09/04906 P
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Ex art. 36e.6 Sr wordt bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel (w.v.v.) wordt geschat, de aan een benadeelde derde in rechte toegekende vordering in mindering gebracht. Indien de betrokkene hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van het aan een benadeelde derde toekomende bedrag, is de rechter niet verplicht dat hele bedrag op de schatting van het w.v.v. in mindering te brengen (vgl. HR LJN AR3021). In aanmerking genomen dat het Hof o.g.v. zijn vaststelling dat het w.v.v. gelijkelijk is verdeeld tussen betrokkene en 2 mededaders, ervan is uitgegaan dat 1/3 deel van het w.v.v. voor betrokkene is geweest, is het oordeel van het Hof dat “nu niet is gebleken dat een groter deel voor rekening van veroordeelde is gekomen of zal komen, deze vordering in evenredigheid met het aantal (rechts)personen ten laste waarvan het civiele vonnis is gewezen, in mindering (dient) te worden gebracht”, zonder nadere motivering, niet begrijpelijk.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
