ECLI:NL:HR:2011:BQ6562
Hoge Raad · 05-07-2011 · zaaknummer 09/03287
Inhoudsindicatie
Verzoek tot toevoeging stukken aan het dossier, art. 414.1, tweede volzin Sv. HR herhaalt de relevante overwegingen uit NJ 2000/214. Tegen de achtergrond van de gang van zaken ttz. in h.b., zoals daarvan blijkt uit het p.v. van de tz. in h.b., moeten de overwegingen van het Hof aldus worden begrepen dat het de overlegging van de aan de brief van de raadsman van verdachte gehechte privacygevoelige stukken bij gebreke van toestemming van degene op wie stukken betrekking hebben niet in overeenstemming heeft geacht met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Aldus verstaan heeft het Hof bij zijn beslissing de juiste maatstaf aangelegd en is zijn oordeel niet onbegrijpelijk. De rechter of het OM zal gegevens van zeer persoonlijke en vertrouwelijke aard immers niet, althans niet zonder toestemming van de betrokkene, aan een dossier in een tegen een ander lopende strafzaak kunnen toevoegen, aangezien het in art. 8.1 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer zich ertegen verzet dat dergelijke gegevens zonder meer ten behoeve van een ander doel dan waarvoor zij zijn verschaft, worden gebruikt en in een wijdere kring bekend worden (vgl. HR LJN BB8765).
Advocaten
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
