ECLI:NL:HR:2011:BQ2809
Hoge Raad · 08-07-2011 · zaaknummer 10/02454
Inhoudsindicatie
EG-recht. Uitleg art. 5 onder a van verordening (EG) nr. 2790/1999 van de Commissie van 22 december 1999 betreffende de toepassing van artikel 81, lid 3, van het Verdrag op groepen verticale overeenkomsten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen, PbEG 1999, L 336/21-25, nadien gewijzigd (Groepsvrijstelling). Valt het tussen partijen overeengekomen exclusieve afnamebeding voor motorbrandstoffen, dat een niet-concurrentiebeding is in de zin van art. 1 onder b van de Groepsvrijstelling, op grond van art. 5 van de Groepsvrijstelling onder het bereik van de in art. 2 van de Groepsvrijstelling opgenomen vrijstelling? Het begrip “eigendom” in art. 5 onder a is geen communautair begrip. Voor de betekenis daarvan moet te rade worden gegaan bij het recht van de desbetreffende lidstaat. Naar Nederlands recht is economische eigendom geen eigendom (vgl. HR 5 maart 2004, NJ 2004/316).
Advocaten
- A.E.H. van der Voort Maarschalk
- G. van der Wal
- L. van den Eshof
- L.A.D. Keus
Partijen
[verweerster]
verweerster · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
