ECLI:NL:HR:2008:BC9532
Hoge Raad · 17-06-2008 · zaaknummer 01754/07
Inhoudsindicatie
Art. 187d (oud) Sv. Het Hof heeft het verzoek van de verdediging om de R-C als getuige te doen horen kennelijk – en niet onbegrijpelijk – aldus opgevat, dat het ertoe strekte van de R-C te vernemen wat de betrokken getuigen tegenover hem hebben verklaard m.b.t. gegevens waaromtrent door hem ex art. 187d Sv was beslist dat deze niet ter kennis van de OvJ, verdachte en diens raadsman dienden te komen. Door inwilliging van dit verzoek zou die, aan de R-C voorbehouden, beslissing worden tenietgedaan. Daardoor zou het wettelijk stelsel van strafvorderlijke bevoegdheden op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. ’s Hofs oordeel, dat erop neerkomt dat het verzoek moet worden afgewezen omdat i.c. voor het doen horen van de R-C als getuige in het wettelijk stelsel geen plaats is, is derhalve juist.
Advocaten
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
