ECLI:NL:HR:2007:AZ6131
Hoge Raad · 17-04-2007 · zaaknummer 00887/06
Inhoudsindicatie
1. Vordering AG in arrest. 2. Poging tot vervoeren cocaïne. 3. Absoluut ondeuglijke poging? 4. Art. 27.1 Sr. 5. N-o OM. Ad 1. Ingevolge art. 359.1 jo. art. 415 Sv dient het arrest de vordering van de AG bij het hof te bevatten. Niet-naleving van dit voorschrift leidt ingevolge art. 359.8 Sv tot nietigheid. De bestreden uitspraak voldoet niet aan dit vereiste, nu daarin de vordering van de AG bij het hof niet volledig is vermeld. Dit behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Door een kennelijke vergissing is verzuimd die vordering in ’s hofs arrest op te nemen. De HR leest ’s hofs arrest met verbetering van die misslag. Ad 2. ’s Hofs oordeel dat het samenstel van gedragingen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien, kan worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf om de cocaïne (na het aankopen daarvan) te vervoeren en dat de verdachte daarom heeft gehandeld ter uitvoering van dat misdrijf, is onjuist noch onbegrijpelijk. Ad 3. Het middel stelt dat er sprake is van een absoluut ondeuglijke poging aangezien het in de tll vermelde middel geen cocaïne betrof maar lidocaïne, een niet op lijst I van de OW voorkomende stof. HR: Uit de gebezigde bewijsmiddelen valt m.b.t. de samenstelling van de “cocaïne” slechts af te leiden dat bij de test daarvan twijfels rezen over de mate van zuiverheid daarvan omdat het “spul” niet wilde stollen. In deze vaststellingen ligt niet besloten dat het “spul” in het geheel geen cocaïne bevatte, laat staan dat het een middel betrof dat niet voorkomt op lijst I van de OW. Dat brengt mee dat het in de klacht tot uitgangspunt genomen omstandigheid feitelijke grondslag mist. Dat de desbetreffende stof in weerwil van hetgeen de bewezenverklaring en de gebezigde bewijsmiddelen dienaangaande inhouden, geen cocaïne betrof, is een stelling van feitelijke aard die in cassatie niet voor het eerst kan worden betrokken. Ad 4. Ingevolge art. 27.1 Sr dient de rechter bij het opleggen van een tijdelijke gevangenisstraf te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tul van de uitspraak in detentie in het buitenland ingevolgde een Ned. verzoek om uitlevering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht. Het hof heeft evenwel nagelaten art. 27.1 Sr in acht te nemen, voor zover het deze detentie betreft. Ad 5. De benadeelde partij klaagt dat het hof ten onrechte het OM n-o heeft verklaard in de vervolging van verdachte t.z.v. het tweede feit. Het hof heeft het OM n-o verklaard op – kort gezegd – de grond dat verdachte hiervoor niet is uitgeleverd. Het middel betreft niet een rechtspunt in de zin van art. 437.3 Sv, zodat het onbesproken moet blijven.
Advocaten
- R.P.A. Pohlkamp
Partijen
[benadeelde partij]
benadeelde partij · onbekend
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
