ECLI:NL:HR:2007:AZ2479
Hoge Raad · 09-01-2007 · zaaknummer 00495/06
Inhoudsindicatie
HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2000, 721. 1. ’s Hofs oordeel dat i.c. de redelijke termijn een aanvang heeft genomen met de betekening van de inleidende dagvaarding is niet onjuist. 2. ‘s Hofs oordeel dat de redelijke termijn niet is overschreden ‘nu de overschrijding van de inzendtermijn kan worden gecompenseerd door de totale duur van het proces’, is zonder nadere motivering - die ontbreekt - niet begrijpelijk, in aanmerking genomen dat de zaak in appel eerst bijna 3 jaar en 10 maanden na het instellen van appel is afgedaan. 3. HR doet de zaak om doelmatigheidsredenen zelf af. Gelet op de mate van overschrijding van de redelijke termijn en in aanmerking genomen dat het hof blijkens zijn strafmotivering de op zichzelf gerechtvaardigde werkstraf van 180 uur i.v.m. de lange duur van het proces heeft verminderd tot 120 uur, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de HR met dat oordeel volstaan.
Advocaten
- H.K. ter Brake
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
