ECLI:NL:HR:2006:AY9241
Hoge Raad · 14-11-2006 · zaaknummer 02810/05
Inhoudsindicatie
Aanwezigheidsrecht: 2 adressen in appelakte. HR herhaalt toepasselijke overweging uit HR NJ 2002, 317 en verwijst naar HR NJ 1998, 115. De stukken houden weliswaar in dat is getracht de appeldagvaarding aan het in de appelakte vermelde GBA-adres uit te reiken, doch niet dat die dagvaarding eveneens aan het andere in de appelakte vermelde adres is gezonden, zodat ervan moet worden uitgegaan dat dit laatste niet is geschied. Daarom had het hof, in aanmerking genomen dat de stukken van het geding niets behelzen waaruit kan volgen dat laatstgenoemd adres t.t.v. de betekening van de appeldagvaarding als achterhaald zou moeten worden beschouwd, niet zonder meer mogen aannemen dat verdachte vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht om ter terechtzitting in appel aanwezig te zijn. Het hof had ervan blijk moeten geven te hebben onderzocht of er reden was om het onderzoek ter terechtzitting te schorsen teneinde verdachte in de gelegenheid te stellen om alsnog in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Van een zodanig onderzoek blijkt niet. Dat leidt tot nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven uitspraak.
Advocaten
- H.W. Vis
- R.J. Baumgardt
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
