ECLI:NL:HR:2006:AY8320
Hoge Raad · 31-10-2006 · zaaknummer 00086/06
Inhoudsindicatie
Redelijke termijn en verstekmededeling. HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR NJ 2000, 721 en HR NJ 2001, 243. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de stukken van het geding niets behelzen waaruit kan volgen dat tussen 20-5-98 (datum uitspraak) en 20-12-05 (datum betekening in persoon) is getracht een verstekmededeling aan verdachte te betekenen, en dat verdachte gedurende deze periode, op ruim 14 maanden na, onafgebroken in de GBA is opgenomen geweest, moet worden geoordeeld dat in die fase van het geding de redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM is overschreden. Dat leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, waarbij de HR in aanmerking neemt: (a) dat verdachte sedert 20-5-98 op ruim 14 maanden na stond ingeschreven in een GBA; (b) dat moet worden uitgegaan van een aan het OM toe te rekenen periode van inactiviteit van meer dan 7 jaren; (c) dat de onderhavige feiten op 13-11-96 en 22-9-96 zijn begaan.
Advocaten
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
