ECLI:NL:HR:2006:AY6927
Hoge Raad · 07-11-2006 · zaaknummer 02378/05
Inhoudsindicatie
Ex art. 2.1 Awbi is – behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen – voor het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner een schriftelijke machtiging vereist. ’s Hofs oordeel dat i.c. een schriftelijke machtiging tot binnentreden niet was vereist nu “het hier slechts een bijdrage van inspecteur X aan een (verwezenlijking van) uitlevering van voor beslag vatbare voorwerpen betreft”, getuigt dan ook van een onjuiste opvatting m.b.t. de eisen van art. 2 Awbi. Na terugwijzing zal dienen te worden onderzocht of het verzuim, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, van dien aard is dat bewijsuitsluiting in aanmerking komt (HR NJ 2004, 376).
Advocaten
- A.A. Franken
- P.M. van den Ham
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
