ECLI:NL:HR:2005:AT7026
Hoge Raad · 16-08-2005 · zaaknummer 03534/04 B
Inhoudsindicatie
Ex art. 126 Sv kan op vordering van de OvJ door de RC een machtiging worden verleend tot het instellen van een SFO, indien sprake is van een verdenking van een of meer misdrijven (a) waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, en (b) waardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen. Dat brengt mee dat de RC en (in hoger beroep) de rb bevoegd zijn tot afwijzing van de vordering van de OvJ indien aan voormelde eisen niet is voldaan, bijvoorbeeld ingeval niet aannemelijk is dat met het in de vordering omschreven misdrijf op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen. Wettekst noch wetsgeschiedenis biedt steun voor de opvatting dat de OvJ reeds in zijn vordering dan wel bij de behandeling van het hoger beroep tegen de beschikking van de RC mededeling zou moeten doen van "andere" feiten a.b.i. art. 36e.3 Sr, aangenomen al dat zulks in dat stadium van het onderzoek mogelijk zou zijn.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
