ECLI:NL:HR:1973:3
Hoge Raad · 21-12-1973 · zaaknummer 67142
Inhoudsindicatie
Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon naar Groot-Brittannië t.z.v. (medeplegen) zware mishandeling. Behandeling uitleveringsverzoek door HR. 1. Voldaan aan vereisten van toepasselijk Uitleveringsverdrag tussen Nederland en Groot-Brittannië? 2. Verweer dat in omschrijving van het in ‘’warrant for the arrest’’ vermelde feit het woord ‘’maliciously’’ ontbreekt, zodat omschreven feit niet oplevert het in art. II.1.4 Uitleveringsverdrag genoemde misdrijf van ‘’maliciously wounding’’. 3. Verweer dat vraag wat moet worden verstaan onder ‘’bewijs’’ in de zin van art. XIII Uitleveringsverdrag moet worden beoordeeld naar Engels recht. 4. Verweer dat ander de gehele delictsinhoud van ‘’wounding’’ alleen heeft vervuld en opgeëiste persoon niet kan worden aangemerkt als medepleger daarvan. 5. Met verklaringen van getuigen onderbouwd verweer dat opgeëiste persoon niet schuldig is aan feit waarvoor zijn uitlevering is gevraagd, nu hij niet aanwezig is geweest bij gevecht waarbij slachtoffer gewond is geraakt. Ad 1. M.b.t. uitleveringsverzoek is voldaan aan eisen van art. VIII en XII Uitleveringsverdrag, terwijl opgeëiste persoon op zitting HR heeft verklaard dat hij de in uitleveringsverzoek bedoelde persoon is en dat hij niet Nederlandse nationaliteit bezit. Ad 2. ‘’Warrant for the arrest’’ is onder meer afgegeven t.z.v. verdenking dat opgeëiste persoon ‘’wounded [slachtoffer] with intent to cause him grievous bodily harm. Contrary to Section 18 of the Offences Against the Person Act, 1861”, hetgeen (nu deze bepaling o.m. meer strafbaar stelt “whosoever shall unlawfully and maliciously by any means whatsoever, wound any person with intent to do grievous bodily harm to any person’’) omschrijving is van feit, dat valt onder bepaling van art. II.1.4 Uitleveringsverdrag. Ad 3. Dit betoog stuit af op omstandigheid dat volgens art. XIII Uitleveringsverdrag de vraag m.b.t. toereikendheid van het daar bedoelde bewijs moet worden beantwoord volgens wetten van aangezochte Staat en dat o.b.v. die wetten moet worden beslist zowel wat als ‘’bewijs’’ in aanmerking kan komen als welke mate daarvan ‘’voldoende’’ is te achten. Bij uitleveringsverzoek overgelegde beëdigde getuigenverklaringen leveren voldoende bewijs op om (zou het in ‘’warrant for the arrest’’ vermelde misdrijf hier te lande zijn gepleegd en worden vervolgd) na bezwaarschrift een verwijzing naar tz. te rechtvaardigen, aangezien het niet hoogst onwaarschijnlijk zou zijn dat strafrechter, later oordelend, door de voor hem geleverde bewijsvoering dat feit bewezen zou achten. Ad 4. HR wijst deze bewering als ongegrond van de hand, omdat er voldoende aanwijzingen zijn dat samenwerking tussen opgeëiste persoon en ander m.b.t. verwonden van slachtoffer zo volledig en nauw is geweest dat daartoe door opgeëiste persoon verrichte handelingen het karakter dragen van deelnemen aan het met voorbedachte rade verwonden van slachtoffer. Die aanwijzingen zijn o.m. gelegen in beëdigde getuigenverklaringen. Ad 5. HR oordeelt dat die verklaringen (v.zv. inhoudende dat opgeëiste persoon de club reeds zou hebben verlaten toen slachtoffer aldaar gewond is geraakt), afgezet tegen de uit de bij uitleveringsverzoek overgelegde beëdigde getuigenverklaringen voortvloeiende sterkere aanwijzingen voor tegendeel, onvoldoende gewicht hebben. HR verwerpt op die verklaringen gebaseerd betoog. Volgt (partiële) toelaatbaarverklaring van uitlevering. Vervolg op HR:1973:2.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
