ECLI:NL:HR:1954:211
Hoge Raad · 13-10-1954 · zaaknummer 11943
Inhoudsindicatie
Hangt samen met zaaknummer 11.941 (ECLI:NL:HR:1954:AY2970). Niet geconcludeerd. De Inspecteur had uit een hem vanwege belangh. voor de regeling van de primitieve aanslag geschreven brief het vermoeden moeten putten, dat belangh.'s aangifte onjuist was; ten onrechte oordeelde de r.v.b. anders. Nu de Inspecteur er zich subsidiair op heeft beroepen, dat hij toch in elk geval niet met de waarschijnlijkheid van verschillen van zodanige omvang had behoeven rekening te houden, als tussen de aangegeven en de werkelijke cijfers achteraf zijn gebleken, moet de r.v.b. daarnaar een nader onderzoek instellen. Art. 4, Zevende U.v.b. IB '41, kent niet de mogelijkheid bij afwezigheid van opzet of grove onachtzaamheid, doch aanwezigheid van enige onachtzaamheid aan de zijde van belastingplichtige de verhoging op 10% te stellen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
