ECLI:NL:HR:1946:161
Hoge Raad · 26-02-1946 · zaaknummer 48657
Inhoudsindicatie
Conclusie is niet meer voorhanden. Doodslag op meisje in 1941 te Oisterwijk, art. 287 Sr. 1. Bewijsklacht. Onderdeel verklaring verdachte blijkt niet uit bewijsmiddelen. 2. Niet redengevend onderdeel verklaring getuige (vader van meisje) voor bewijs gebruikt? 3. Tegenstrijdigheid in bewijsvoering m.b.t. verklaring van verdachte? 4. Kon hof voor bewijs betekenis toekennen aan verklaring deskundige? 5. Berust voor bewijs gebruikte verklaring getuige op eigen wetenschap of waarneming van getuige? 6. Aanwezigheid bij uitspraak van substituut OvJ bij Rb als waarnemend AG bij Hof. Ad 1. Hof heeft met nadere bewijsoverweging kennelijk bedoeld aanvulling en precisering van reeds vermelde bewijsconstructie te geven, zodat deze één geheel vormen. Omstandigheid dat verdachtes bewering niet ook nog in b.m. is vermeld, kan niet tot cassatie leiden; Ad 2. Vader van meisje heeft verklaard op dag waarop ‘s avonds lijk van meisje in bos te Oisterwijk is gevonden, in namiddag zijn dochtertje eerst geruimen tijd bij zich te hebben gehad en later te hebben vermist en hij heeft daarbij opsomming van tijden en plaatsen gegeven van zijn samenzijn met zijn dochtertje en van hetgeen hij na dat samenzijn nog heeft gedaan, voor hij kwam bij boerderij, waar hij verwachtte zijn kind aan te treffen, maar moest vernemen dat zij daar niet was aangekomen. Onderdeel van verklaring van vader kan, beschouwd in verband en samenhang met overig gedeelte van verklaring, voor bewijs dienen, immers voor vaststelling van tijdstip van vermissing en dat van doden van meisje. Ad 3. Uit ’s hofs overwegingen volgt dat voor hof alleen redengevend is geweest feit dat verdachte in strijd met waarheid heeft verklaard. Ad 4. Hof heeft voor bewijs gebezigde inhoud van verklaringen van getuige-deskundige aldus kunnen opvatten, dat daarin ligt opgesloten, dat “faeces zijn uitgetreden”. Ad 5. Hof heeft verklaring van getuige dat niemand aan lijk is gekomen, in verband met verdere inhoud van verklaring van deze getuige, kunnen opvatten als alleen betrekking hebbende op tijden dat die getuige blijkens zijn verklaring bij lijk is geweest. Ad 6. Art. 1 Verordening no. 137/1940 bepaalt dat rechtspositie van ambtenaren en overig personeel in Rijksdienst en wel in het bijzonder voorwaarden, waaronder zij kunnen worden aangesteld of ontslagen, zo nodig geregeld wordt in afwijking van tot heden geldend recht, zo ruim is gesteld dat ook aanstelling of aanwijzing van AG in afwijking van art. 6a Wet RO niet buiten zijn grenzen valt. Substituut OvJ is bij besluit van Secretaris-Generaal van Departement van Justitie aangewezen als waarnemend AG bij Hof, welke waarneming bij besluiten van Secretaris-Generaal is verlengd, aldus dat termijn van laatste verlenging nog niet was geëindigd toen bestreden arrest werd uitgesproken. Deze besluiten steunden op ‘’machtiging van Rijks-Commissaris tot afwijking van art. 6 a Wet RO’’, dus van hetzelfde gezag dat Verordening no. 137/1940 uitvaardigde. Volgt verwerping.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
