ECLI:NL:GHSHE:2025:2912
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22-10-2025 · zaaknummer 20-002880-23
Inhoudsindicatie
Formele rechtskracht besluit DNA-afname. Bewijs grotendeels gebaseerd op DNA-afname in eerdere strafzaak, waarvan achteraf is komen vast te staan dat het in die eerdere strafzaak bewezenverklaarde feit geen misdrijf was als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en daarom geen grondslag bood voor het gegeven bevel tot afname van celmateriaal bij de verdachte. Het hof stelt echter vast dat niet is gebleken dat de verdachte bezwaar heeft gemaakt tegen de (voorgenomen) opname in de Nederlandse DNA-databank. Als uitgangspunt heeft te gelden dat aan een besluit waartegen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat, of heeft opengestaan maar niet of niet met succes is gebruikt, formele rechtskracht toekomt. Dit uitgangspunt geldt met het oog op rechtszekerheid. Het hof wijst in dit verband nog in het bijzonder op artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet DNA-onderzoek waarin is bepaald dat een bevel tot DNA-afname achterwege blijft indien een DNA-profiel al in de databank is opgenomen. Dat brengt mee dat de strafrechter bij strafrechtelijke vervolging uit dient te gaan van de rechtmatigheid van het besluit en de op deze beslissing gebaseerde afname, alsmede het vervolgens bepalen en opslaan van het DNA van de verdachte in de DNA-databank. Vorenstaande neemt niet weg dat het hof de ogen niet sluit voor de omstandigheid dat als verdachte het hem toekomende rechtsmiddel van bezwaar had benut dit naar alle waarschijnlijkheid gegrond zou zijn verklaard. Indien het DNA van de verdachte dan desondanks in de DNA-databank zou zijn opgenomen, zou er sprake zijn geweest van een vormverzuim. Tot bewijsuitsluiting zou dit evenwel niet hebben geleid nu aan een dergelijk vormverzuim – dat blijkens de justitiële documentatie mogelijk het gevolg is geweest van een abusievelijk onjuiste administratieve verwerking – niet de gevolgtrekking kan worden verbonden dat daardoor in de onderhavige strafprocedure een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in zodanig aanzienlijke mate is geschonden dat de uitkomst van het DNA-vergelijkingsonderzoek van het bewijs zou moeten worden uitgesloten. (Vgl. Hoge Raad 29 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY2814). Op basis van het vorenstaande concludeert het hof dat er geen grond is de DNA-match uit te sluiten van het bewijs. Het verweer wordt daarom verworpen.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
