ECLI:NL:GHSHE:2018:4296
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 17-10-2018 · zaaknummer 20-001051-17
Inhoudsindicatie
Ondervragingsrecht artikel 6, derde lid en onder d, EVRM In de eerste plaats overweegt het hof dat de verdediging de mogelijkheid is geboden de verklaring van [medeverdachte 1] te toetsen ter gelegenheid van het getuigenverhoor ten overstaan van de rechter-commissaris. In deze setting heeft [medeverdachte 1] een aantal vragen wel en een aantal vragen niet beantwoord. Bovendien constateert het hof dat [medeverdachte 1] zich bij deze gelegenheid uitdrukkelijk niet op zijn verschoningsrecht heeft beroepen. Dat de verdediging er vervolgens voor kiest om deze getuige – door tussenkomst van de rechter-commissaris – niet te houden aan zijn wettelijke plicht om alle aan hem gestelde vragen naar waarheid te beantwoorden, komt voor rekening van de verdediging. Overigens overweegt het hof dat de door de verdediging ondervonden beperkingen eveneens ondervangen hadden kunnen worden door te verzoeken [medeverdachte 2] als getuige te horen. Ook in zoverre heeft de verdediging onvoldoende initiatief getoond ter waarborging van haar verdedigingsrechten, hetgeen eveneens voor haar eigen risico komt. Aldus concludeert het hof dat de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid is geboden de verklaring van [medeverdachte 1] te toetsen. De enkele omstandigheid dat de verdediging van deze mogelijkheid beperkt – en naar haar eigen oordeel kennelijk onvoldoende – gebruik heeft gemaakt, doet daaraan naar het oordeel van het hof niet af. In de tweede plaats - en overigens ten overvloede - overweegt het hof dat de verklaring van [medeverdachte 1] voldoende wordt ondersteund door de overige gebezigde bewijsmiddelen, zodat niet kan worden gesproken van een bewezenverklaring die in beslissende mate (sole and decisive) steunt op één getuigenverklaring. Het hof concludeert dat van een schending van artikel 6, derde lid en onder d van het EVRM, geen sprake is. Het hof zal niet overgaan tot uitsluiting van het bewijs van de verklaring van [medeverdachte 1]. Het hof veroordeelt de verdachte ter zake van 1. de opzettelijke uitvoer van een grote hoeveelheid harddrugs (art 2 onder A Opiumwet), 2. het aanwezig hebben van een grote hoeveelheid harddrugs (art 2 onder C Opiumwet) en 3. het voorhanden hebben van wapens en munitie (art 26 WWM) tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
