Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSHE:2012:BW8454

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 08-06-2012 · zaaknummer 11-00279

Bestuursrecht; Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Vatstelling Woz-Waarde per de peildatum 1 januari 2003 op een bedrag van € 235.000. Bij beschikking van 28 februari 2006 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 392.000 (hierna: de herzieningsbeschikking). De Rb. heeft op 30 januari 2008 het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard, het besluit van de Heffingsambtenaar van 28 februari 2006 en de daarop gebaseerde aanslag over het belastingjaar 2006 herroepen, bepaald dat de uitspraak van de Rb. in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar en teruggave van het door belanghebbende gestorte griffierecht gelast. De Heffingsambtenaar heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Rb. op 22 april 2008 een ambtshalve kennisgeving naar belanghebbende gezonden. Hierbij werd de herzieningsbeschikking vernietigd en werd voorts kenbaar gemaakt dat de primaire beschikking als grondslag dient te gelden voor de aanslag onroerende zaakbelasting 2006. De opgelegde aanslag werd hierbij in zoverre verminderd. Vervolgens heeft de Heffingsambtenaar belanghebbende op 4 juli 2008 bericht dat de aanslag onroerende zaakbelasting alsnog wordt vernietigd. Tevens is daarbij meegedeeld dat er een nieuwe primaire beschikking en aanslag onroerende zaakbelasting 2006 zal volgen. Bij beschikking van 31 juli 2008 is de waarde van de onroerende zaak per peildatum 1 januari 2003 vastgesteld op € 235.000 (hierna: de tweede primaire beschikking). Hierbij is ook een aanslag in de onroerende zaakbelasting over het jaar 2006 opgelegd, gebaseerd op de in de tweede primaire beschikking opgenomen waarde van € 235.000 (hierna: de tweede aanslag). Partijen zijn het er uiteindelijk over eens dat de Rb. in zijn uitspraak van 30 januari 2008, na te hebben geoordeeld dat er geen grond was voor het nemen van een herzieningbeschikking en na vernietiging van die herzieningbeschikking, de aanslag voor het jaar 2006 niet had moeten vernietigen, maar had moeten verminderen naar de grondslag volgens de primaire beschikking, derhalve naar een waarde van € 235.000. Het Hof is dat met partijen eens. De Rb. heeft dienaangaande toentertijd een onjuiste uitspraak gedaan. Partijen hebben echter geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rb., zodat deze uitspraak, waarbij de aanslag voor het jaar 2006 is vernietigd, onherroepelijk is komen vast te staan. Volgens vaste jurisprudentie geldt in het belastingrecht, anders dan in het klassieke bestuursrecht, dat voor eenzelfde belastbaar feit slechts éénmaal een primitieve aanslag kan worden opgelegd. Het is niet mogelijk om na de oplegging en vernietiging van een primitieve aanslag onroerendezaakbelasting voor een onroerende zaak over een bepaald belastingjaar aan een bepaalde belastingplichtige, voor dezelfde onroerende zaak een tweede primitieve aanslag onroerendezaakbelasting op te leggen over hetzelfde belastingjaar aan dezelfde belastingplichtige. Door het opleggen van een primitieve aanslag is de bevoegdheid tot heffen derhalve uitgeput, behoudens de mogelijkheid tot het opleggen van een navorderingsaanslag. De tweede aanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. Een naar de vorm van een primitieve aanslag opgelegde belastingaanslag kan desondanks als navorderingsaanslag in stand blijven indien aan de vereisten voor navordering is voldaan. Het Hof wijst in dit verband onder meer op de arresten van de Hoge Raad van 25 oktober 1978, nr. 18 790, BNB 1979/6, van 17 december 1980, nr. 20 184, BNB 1981/24, van 15 mei 1985, nr. 22 920, BNB 1985/272, en van 26 maart 2010, nr. 09/02804, BNB 2010/181. Het feit dat aanleiding heeft gegeven tot het opleggen van de tweede aanslag betreft de uitspraak van de Rb. van 30 januari 2008 waarbij de aanslag voor het jaar 2006 werd vernietigd. Nu de Heffingsambtenaar ten tijde van het opleggen van de (eerste) aanslag over het jaar 2006 reeds bekend was met het feit, dat de waarde van de onroerende zaak (minimaal) € 235.000 bedroeg is van een navordering rechtvaardigend nieuw feit dan ook geen sprake. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de Rb. de (eerste) aanslag ten onrechte vernietigd. De Heffingsambtenaar was zich hiervan bewust, mede gelet op de handelwijze van de Heffingsambtenaar na de uitspraak van de Rb. Het had dan ook in de rede gelegen dat de Heffingsambtenaar een rechtsmiddel tegen de uitspraak van de Rb. had aangewend, om aldus te voorkomen dat de onjuiste beslissing van de Rb. van 30 januari 2008 om de (eerste) aanslag te vernietigen onherroepelijk zou worden. De Heffingsambtenaar heeft dit nagelaten. Gelet op het vorenoverwogene komt evenmin de vraag aan de orde of belanghebbende te kwader trouw is geweest. Uit al het vorenoverwogene volgt dat de tweede aanslag moet worden vernietigd. Gelet op art. 30, lid 3, Wet WOZ heeft hetzelfde te gelden voor de tweede primaire beschikking. De praktische weg die de Heffingsambtenaar heeft bewandeld doet niet af aan het recht van een belanghebbende zich te beroepen op de wettelijke spelregels waaraan de Heffingsambtenaar zich dient te houden. Gegrond beroep.

Rechters

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.