ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ5553
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 01-04-2011 · zaaknummer 09/00181
Inhoudsindicatie
Belanghebbende heeft tezamen met zijn echtgenote in maatschapverband tot 31 december 1999 een agrarische onderneming uitgeoefend. Het melkquotum is in 1998 verkocht, als gevolg waarvan het melkveebedrijf is gestaakt en voor de boekwinst is een vervangingsreserve gevormd. Oktober 2000 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een BV opgericht, welke BV met terugwerkende kracht per 1 januari 2000 is toegetreden als maat in de maatschap. De winstverdeling na toetreden van de BV wordt: belanghebbende 2,5 % , zijn echtgenote 2,5 % en de BV 95 %. Belanghebbende en zijn echtgenote besluiten om geen nieuw melkquotum meer aan te schaffen en de vervangingsreserve wordt tot de stakingswinst gerekend. Per 27 december 2000 hebben belanghebbende en zijn echtgenote een overeenkomst van lijfrente afgesloten met de BV en de premie op grond van artikel 45, lid 7 Wet IB 1964 in mindering gebracht op de stakingswinst. Het Hof leidt uit de feiten af dat bij het toetreden van de BV als maat het vervangingsvoornemen van het melkquotum al niet meer bestond. De inspecteur stelt dat de tegenprestatie voor de lijfrente niet de tegenprestatie is van een (gedeeltelijke) overdracht van de onderneming. Het Hof oordeelt, met de rechtbank, dat er geen sprake is van een overdracht in de zin van artikel 45, lid 7 Wet IB 1964 omdat de melkveehouderij inmiddels definitief is beëindigd. Hoger beroep van belanghebbende ongegrond.
Rechters
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
