ECLI:NL:GHSHE:2007:BB1667
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 24-07-2007 · zaaknummer C0501490-BR
Inhoudsindicatie
Het hof overweegt als volgt. De artikelen 2:203 BW e.v. met betrekking tot de stortingsverplichting dienen ter bescherming van de crediteuren van de besloten vennootschap en hebben ten doel er voor te zorgen dat stortingen op aandelen reëel zijn. Dit uitgangspunt brengt mee dat het aandelenkapitaal van de vennootschap bij de oprichting een zekere omvang dient te hebben en tevens dat de vennootschap beschermd dient te worden tegen onttrekkingen van het kapitaal vóór oprichting. De vennootschap bestaat immers eerst na de oprichting, zodat zij zich ook pas na haar oprichting kan uitlaten over betalingen gedaan vóór de oprichting. Gelet op doel en strekking van de onderhavige bepalingen kan niet worden aanvaard dat niet uitdrukkelijk door de vennootschap na haar oprichting bekrachtigde onttrekkingen aan het aandelenkapitaal vóór de oprichting, zoals artikel 2:203a lid 4 BW expliciet eist, hebben te gelden als door de vennootschap aanvaarde onttrekkingen. Aan voormeld uitgangspunt kan een notariële praktijk waarop [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] zich hebben beroepen (cvd, prod. 2), niet afdoen. [...] Het hof stelt voorop dat niet uitgesloten is dat een redelijke wetstoepassing van artikel 2:203a lid 4 BW onder bijzondere omstandigheden kan meebrengen dat in geval van onttrekkingen aan de rekening van de vennootschap vóór de oprichting, de oprichters na de oprichting niet aansprakelijk zijn voor het bedrag van de onttrekkingen indien deze niet uitdrukkelijk zijn bekrachtigd. Het feit dat niet is gebleken dat [bedrijf 1] financiële problemen had ten tijde van de verkoop op [datum 5] van de aandelen in [bedrijf 1] aan derden, is echter niet beslissend. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] op het moment van het faillissement geen bemoeienis meer met [bedrijf 1] hadden. Dergelijke omstandigheden zijn immers niet van belang voor de vraag of het aandelenkapitaal van [bedrijf 1] beschermd was tegen onttrekkingen van het kapitaal vóór de oprichting bij akte van [datum 1]. Dit betekent dat evenmin bepalend is dat pas vijf jaar na de onttrekkingen [bedrijf 1] in staat van faillissement is verklaard. [...] De enkele - overigens onvoldoende onderbouwde - stelling dat het betreft zakelijk verantwoorde uitgaven betekent niet dat [bedrijf 1] na haar oprichting die uitgaven en daarmee de onttrekkingen aan haar vermogen uitdrukkelijk heeft aanvaard. Nu geen andere feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken die een uitzondering op het [...] weergegeven uitgangspunt kunnen rechtvaardigen, moet de slotsom zijn dat [geïntimeerde sub 1] en [geïntimeerde sub 2] ingevolge artikel 2:203a lid 4 BW hoofdelijk verbonden zijn tot vergoeding van de onttrokken bedragen, [...].
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
