ECLI:NL:GHSHE:2007:BA0750
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 27-01-2007 · zaaknummer C200401521
Inhoudsindicatie
[geïntimeerde] heeft zijn vorderingen gegrond op de stelling dat hij de beide percelen sedert [datum 1] in zijn bezit heeft en dat voor hem zijn ouders het bezit hadden. De ouders van [geïntimeerde] waren eigenaar van de woning en het perceel aan [adres 1], terwijl dit perceel onafgebroken bewoond is en in gebruik is door [geïntimeerde] en voor hem aan zijn ouders. Op grond van artikel 3:105 BW verkrijgt hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van dat bezit wordt voltooid. Ingevolge artikel 3:306 BW is de verjaringstermijn 20 jaar. Volgens artikel 3:107 BW is bezit het houden van een goed voor zichzelf. Of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, dient te worden beoordeeld naar verkeersopvatting met inachtneming van de regels van titel 5 van Boek 3 BW en overigens op grond van uiterlijke feiten (artikel 3:108 BW). Ingevolge artikel 3:113 lid 2 kan inbezitneming van een goed waarvan een ander reeds bezitter is, slechts bestaan in zodanige machtsuitoefening dat naar verkeersopvatting de oorspronkelijke bezitter niet meer als zodanig kan gelden (MvA, Parl. Gesch. Boek 3, p.434). Artikel 3:109 BW bepaalt dat degene die een goed houdt, wordt vermoed dit voor zichzelf te houden. In combinatie met het wettelijk vermoeden van artikel 3:119 BW geldt dat degene die een goed houdt, vermoed wordt rechthebbende te zijn behoudens tegenbewijs. Echter lid 2 van laatstgenoemd artikel bepaalt dat ten aanzien van registergoederen dit vermoeden wijkt wanneer komt vast te staan dat de wederpartij of diens rechtsvoorganger te eniger tijd rechthebbende was en dat de bezitter zich niet kan beroepen op verkrijging nadien onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers vereist is. De Gemeente heeft onbestreden aangevoerd dat zij in de openbare registers altijd als eigenaar van de percelen A en B geregistreerd heeft gestaan. [geïntimeerde] heeft zich niet beroepen op verkrijging onder bijzondere titel waarvoor inschrijving in de registers is vereist. Hij stelt slechts dat zijn ouders voordien de percelen in gebruik hadden. Zoals uit het onder 4.8. en 4.9. overwogen volgt, is dit onvoldoende om als bezitter te kunnen worden aangemerkt. Nu uit de stellingen van [geïntimeerde] niet volgt dat hij het bezit van de percelen A en B heeft gehad en voor verkrijging van eigendom door verjaring bezit is vereist, heeft [geïntimeerde] nimmer de eigendom door verjaring verkregen. De grieven slagen derhalve.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[geïntimeerde]
geïntimeerde · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
