Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSHE:2005:AT3376

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 09-02-2005 · zaaknummer R200400721

Civiel recht; Personen- en familierechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Onderwerp: Vervangende toestemming tot erkenning o.g.v. art.1:204 lid 3 BW Omgangsregeling o.g.v. art. 1:377F BW In de onderhavige zaak verzoekt de man om vervangende toestemming tot erkenning van de minderjarige te verlenen. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat zij gedurende de periode dat zij met de man heeft samengewoond door hem is mishandeld, misbruikt en van haar vrijheid is beroofd. Hiervan zijn gedetailleerde processen-verbaal van aangifte overlegd. De man betwist de stellingen van de vrouwen zowel in eerste aanleg als in hoger beroep zeer globaal en niet dan wel onvoldoende onderbouwd. Vanwege de gedetailleerdheid van de processen-verbaal in samenhang met andere feiten en omstandigheden concludeert het hof – evenals de rechtbank - dat de stellingen van de vrouw als niet onjuist moeten worden beoordeeld. Bij de beoordeling van een verzoek tot het verlenen van vervangende toestemming tot erkenning dient een afweging te worden gemaakt tussen het belang en de aanspraak van de vader op erkenning en de belangen van de moeder en het kind bij niet-erkenning. Hierbij dient als uitgangspunt te worden genomen, dat zowel het kind als de verwekker aanspraak erop heeft dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Het belang van de erkenner kan echter niet zo zwaar wegen dat de belangen van het kind of de moeder geschaad zou worden als de toestemming zou worden vervangen. Het belang van de moeder is in artikel 1:204 lid 3 BW nader omschreven als belang bij een ongestoorde verhouding met het kind. In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat het belang van de man achtergesteld dient te worden bij het belang van de vrouw. Daarnaast wordt de erkenning niet in het belang van het kind geacht, nu er een reëel risico aanwezig is dat het kind bij erkenning wordt belemmerd in de evenwichtige ontwikkeling tengevolge van de psychische onrust van de vrouw, die zijn weerslag zal hebben op het kind. Naast vervangende toestemming verzoekt de man op basis van artikel 1:377f BW de vaststelling van een omgangsregeling met de minderjarige. Het kind is geboren nadat de relatie tussen partijen was verbroken. De vrouw voert in hoger beroep aan dat family life ontbreekt. Family life kan echter worden aangenomen indien de relatie van partijen, toen deze nog in stand was, op één lijn te stellen valt met een huwelijk. De vrouw voert aan dat gezien de bijzondere omstandigheden er geen sprake is geweest van een affectieve relatie die gelijk te stellen valt met een huwelijk. Het hof is echter van oordeel dat nu partijen met een onderbreking, waarna de man met toestemming van de vrouw weer bij haar is ingetrokken, gedurende circa anderhalf jaar met elkaar hebben samengewoond als man en vrouw en de vrouw tijdens de samenwoning zwanger is geraakt, dit voldoende is om aan te nemen dat er sprake is van family life. Een beoordeling van de kwaliteit van de relatie tussen de man en de vrouw en de mate van affectiviteit tussen hen beiden is naar het oordeel van het hof niet aan de orde. Het belang van het kind verzet zich in deze zaak echter tegen het vaststellen van een omgangsregeling. Door de spanningen die ontstaan bij de vrouw, ontstaat het risico dat de evenwichtige ontwikkeling van het kind wordt belemmerd.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.