ECLI:NL:GHSHE:2005:AS9906
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 22-02-2005 · zaaknummer R200400963
Inhoudsindicatie
De man komt in hoger beroep van een tussenbeschikking waarbij de rechtbank de zaak heeft terugverwezen naar de Raad voor de Kinderbescherming, teneinde proefcontacten tussen de gewezen echtgenote van de man en het kind van partijen te organiseren. De man voert aan dat, hoewel het hem bekend is dat hoger beroep van een tussenbeschikking in beginsel is uitgesloten, er in casu sprake is van een zodanige schending van fundamentele rechtsbeginselen en verzuim van essentiële vormen dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken. Het hof is van oordeel dat de bestreden beslissing een tussenbeschikking vormt, nu de in deze beslissing opgelegde proefcontacten deel uitmaken van een door de Raad voor de Kinderbescherming uit te voeren onderzoek naar de pedagogische vaardigheden van de vrouw. Ingevolge art. 358 lid 4 Rv is tegen deze beslissing derhalve afzonderlijk hoger beroep niet toegelaten. Hoger beroep tegen deze tussenbeschikking is echter wel toegelaten tegelijk met het hoger beroep van een daarna gegeven eindbeschikking. Indien en voor zover de man met zijn stelling dat hoger beroep tegen een tussen- beschikking in beginsel is uitgesloten, bedoelt te betogen dat tegen een tussenbeschikking in het algemeen geen hoger beroep kan worden ingesteld, gaat hij uit van een onjuiste opvatting. De man heeft uitdrukkelijk aangegeven dat de in zijn beroepschrift geformuleerde grieven dienen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij ontvankelijk dient te worden geacht in het afzonderlijke hoger beroep tegen de tussenbeschikking, omdat er sprake zou zijn van schending van fundamentele rechtsbeginselen en verzuim van essentiële vormen. Het hof oordeelt dat dit betoog echter niet kan slagen, aangezien deze stelling, ongeacht of er sprake is van schending van fundamentele rechtsbeginselen en verzuim van essentiële vormen, niets afdoet aan de toepasselijkheid van art. 358 lid 4 Rv. (vgl. HR 20 maart 1992, NJ 1992, 475). Het hof verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn beroep tegen de tussenbeschikking.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
