Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSHE:2004:AS3759

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13-07-2004 · zaaknummer C0201051-HE

Civiel rechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Het hof deelt het oordeel van de rechtbank [..] dat de stelling van DBI dat de vaststelling van de koopprijs is geschied in het kader van de onderhandelingen en geheel los stond van de opzet zoals die door [toenmalige curator] in het memo van 8 november 1993 is neergelegd, niet kan worden aanvaard. Het hof verwijst daarvoor in de eerste plaats naar hetgeen het hierboven in rechtsoverweging 4.9 onder (v) heeft overwogen inzake het belang van het memo van [toenmalige curator] voor de interpretatie van de overeenkomst. Weliswaar is van het memo het eerste PM - waarin de vraagprijs was opgenomen - niet overgenomen in de brief van [persoon 1] waarin hij het door de curator aanvaarde bod van DBI op DAF Bus deed, maar de overige PMs werden wel overgenomen, en die houden mede verband met factoren die blijkens het memo de vraagprijs van de curator mede bepaalden. Het hof deelt evenwel niet het standpunt van de rechtbank [..] dat de tekst van de overeenkomst geen twijfel laat bestaan dat DBI verder geen aansprakelijkheid of verplichting aanvaardt. De tekst van de overeenkomst alleen kan wat dit betreft - gelet op de Haviltexnorm - immers niet beslissend zijn. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof deze tekst op zich geenszins dwingt tot de door de rechtbank getrokken conclusie. Artikel 3.1 van de overeenkomst moet immers worden gelezen tegen de achtergrond van hetgeen daarvoor in diezelfde overeenkomst onder 1.j. is vastgelegd. Blijkens die laatste bepaling neemt DBI die lopende overeenkomsten met derden, leveranciers, dealers, importeurs en klanten over welke DBI noodzakelijk acht in het belang van de door haar overgenomen activiteiten. Het gaat daarbij kennelijk om overeenkomsten met voor de voortzetting van de activiteiten van DAF Bus noodzakelijke wederpartijen. Met deze bepaling wordt derhalve kennelijk gedoeld op die wederpartijen die in de voorfase van de onderhandelingen [..]. Dat DBI dit ook zo begrepen heeft blijkt ook uit de getuigenverklaring van [persoon 1], afgelegd op 20 september 2000 in deze procedure in eerste aanleg. [persoon 1] heeft toen immers onder meer verklaard: "Toen wij indertijd een bod van 11,2 miljoen deden, was daarin alles verdisconteerd. Zo hebben wij onder meer rekening gehouden met het feit dat nog eigendomsvoorbehouders zouden moeten worden voldaan, als ook dat garantieverplichtingen en dwangcrediteuren hoe dan ook ten laste van het nieuwe bedrijf zouden komen." Uit deze verklaring valt immers af te leiden dat deze eigendomsvoorbehouden, garantieverplichtingen en dwangcrediteuren door de nieuwe onderneming (dus DBI) zouden moeten worden betaald. DBI heeft nog aangevoerd dat sprake was van een activa-overeenkomst, zodat geen passiva zouden (kunnen) zijn overgenomen. Zowel onder 1.j. als onder 3.1. van de overeenkomst zijn evenwel verplichtingen voor DBI opgenomen, zodat de benaming van de overeenkomst niet beslissend kan zijn. Derhalve faalt dit verweer. In het licht van de voorgeschiedenis van de overeenkomst [..] en de hierboven aangegeven omstandigheden moet de overeenkomst derhalve voorshands aldus worden verstaan dat, wanneer DBI de overeenkomsten van DAF Bus met haar zogenaamde dwangcrediteuren zou overnemen om de onderneming te kunnen voortzetten, zij de kosten van deze overname niet zou kunnen afwentelen op (het faillissement van) DAF Bus. DBI dient DAF Bus dan immers te vrijwaren tegen aanspraken van de desbetreffende derde. Dat kan naar het oordeel van het hof niet anders betekenen dan dat die derde zijn vordering op DAF Bus dan niet meer jegens DAF Bus te gelde kan maken, althans dat in dat geval DBI betaling daarvan voor zijn rekening neemt. Na een dergelijke betaling kan DBI het betaalde dan niet opvorderen bij DAF Bus. Het spreekt dan vanzelf dat datzelfde dan evenzeer geldt voor DBI wanneer deze de desbetreffende vordering van die derde heeft overgenomen en sprake is van cessie of subrogatie, zeker nu het hier gaat om overname van de vordering tegen het nominale bedrag daarvan. In het onderhavige geval is het immers een woordenspel om het door DBI aan de crediteur van DAF Bus betaalde bedrag niet aan te merken als koopsom voor de door die leverancier aan DAF Bus geleverde goederen, maar als koopsom voor de vordering die die leverancier op DAF Bus heeft inzake de leverantie van diezelfde goederen, nu het hier gaat om hetzelfde nominale bedrag. Daar komt nog bij dat gesteld noch gebleken is dat de op grond van de overeenkomsten in kwestie geleverde goederen door de leverancier zijn teruggenomen. Het hof is dus van oordeel dat de interpretatie die de curator geeft aan de activa-overeenkomst voorshands gevolgd moet worden. Zij acht de curator dan ook in het in rechtsoverweging 4.13 bedoelde bewijs geslaagd, tenzij DBI erin slaagt - zoals aangeboden - het tegenbewijs te leveren erop neerkomende dat de overeenkomst niet deze vergaande strekking heeft, en dus aan het indienen van door DBI overgenomen vorderingen niet in de weg staat.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.