ECLI:NL:GHSHE:2004:AR4383
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 13-01-2004 · zaaknummer R200300705
Inhoudsindicatie
Hof Den Bosch, 13 januari 2004, R200300705 Art. 1:252 BW, verzoek door een van de ongehuwde ouders tot gezamenlijk gezag Uit de inmiddels verbroken relatie van partijen is een kind geboren. De vader heeft in eerste aanleg verzocht om partijen met het gezamenlijk gezag over dit kind te belasten. De rechtbank heeft hem in dit verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat partijen nimmer met elkaar gehuwd zijn geweest en dat voor hen daarom enkel de weg open staat van art. 1:252 BW, waarbij op gezamenlijk verzoek aantekening in het gezagsregister plaatsvindt. Hiertegen komt de vader op. Het hof overweegt dat vaststaat dat tussen de vader en het kind sprake is van family life in de zin van art. 8 EVRM. Blijkens de jurisprudentie van het EHRM bevat het recht op family life een breed scala van ouderlijke rechten en plichten waaronder het recht van ouders om gezag over hun kinderen uit te oefenen. Het vereiste dat de tot gezag bevoegde vader in casu uitsluitend mede op verzoek van de moeder het gezag samen met laatstgenoemde kan uitoefenen, vormt een inbreuk op het recht op eerbiediging van family life in de zin van art. 8 EVRM, nu dit de uitoefening van het gezag door de vader onmogelijk maakt bij weigering van de moeder medewerking te verlenen aan het doen van een dergelijk verzoek. Deze inmenging is voorzien bij wet en wel in art. 1:252 lid 1 BW, echter dient gelet op art. 8 lid 2 EVRM zo beperkt mogelijk te worden gehouden. De hedendaagse rechtsontwikkeling laat zien dat het gezamenlijk uitoefenen van gezag door ouders over hun kinderen steeds meer als uitgangspunt heeft te gelden (zie o.a. de artikelen 1:251, 252, 253aa BW, Hof Leeuwarden 5 februari 2003, LJN: AF3922 en Hof ’s-Gravenhage 3 september 2003, LJN:AL8181). Dit door art. 8 EVRM beschermd gezagsrecht van de ouder dient in beginsel gelijkelijk te gelden voor gehuwde en ongehuwde ouders (zie ook: HR 28 maart 2003, LJN:AF2688). In het licht van bovenstaande rechtsontwikkeling past niet een onderscheid dat tot gevolg heeft dat uitsluitend door het ontbreken van de door de wetgever voorgeschreven medewerking van de ene ouder het de andere ouder in alle gevallen onmogelijk wordt gemaakt het gezamenlijk gezag over diens kind uit te oefenen. Dit klemt te meer nu de wetgever wel mogelijk heeft gemaakt dat de ongehuwde vader de rechter verzoekt hem met eenhoofdig gezag te belasten (art. 1:253c lid 1 BW). In afwachting van wetgeving dient aan vader in casu een mogelijkheid te worden geboden om ondanks de weigering tot medewerking van de moeder zijn uit art. 8 EVRM voortvloeiend recht op (gezamenlijke) uitoefening van het gezag uit te oefenen. Een redelijke, met art. 8 EVRM rekening houdende uitleg van het huidige recht brengt mee dat, ook al weigert de moeder de daarvoor vereiste medewerking, toch een rechtsgeldig verzoek tot aantekening van het gezamenlijk gezag kan worden ingediend wanneer de weigering van moeder om hieraan medewerking te verlenen slechts kan worden opgevat als misbruik van de bevoegdheid die in art. 1:252 lid 1 BW besloten ligt. De moeder heeft in haar beroepschrift en ter zitting als enige bezwaar tegen het gezamenlijk gezag naar voren gebracht dat partijen verschillend denken over de manier van opvoeden van de minderjarige zoon. Ter zitting is duidelijk geworden dat partijen goed overleg kunnen voeren over de omgang tussen vader en de minderjarige zoon. Het voornaamste geschilpunt tussen partijen betreft de financiën. Hieromtrent wordt echter binnenkort een rechterlijke beslissing verwacht. Vader wil door middel van het gezamenlijk gezag betrokken worden bij belangrijke beslissingen ten aanzien van de minderjarige zoon. Daarnaast wenst hij het gezamenlijk gezag, omdat daardoor voorkomen wordt dat na overlijden van de moeder een rechterlijke beslissing nodig is om de vader met het gezag over de minderjarige zoon te belasten. Tevens wordt door het gezamenlijk gezag bewerkstelligd dat de moeder niet zomaar de rechtbank kan verzoeken om haar en een derde te belasten met het gezamenlijk gezag over de minderjarige zoon. Het hof stelt vast dat er voor moeder geen door het belang van het kind gerechtvaardigde omstandigheden zijn om haar medewerking aan de aantekening van het gezamenlijk gezag als bedoeld in art. 1:252 lid 1 BW te onthouden. Door dat desalniettemin toch te doen, maakt zij misbruik van die bevoegdheid. Het hof zal dan ook de vader vervangende toestemming geven om namens de moeder een verzoek ex art. 1:252 lid 1 BW te doen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
