ECLI:NL:GHSHE:2004:AR2248
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20-07-2004 · zaaknummer R200400150
Inhoudsindicatie
Partijen zijn bij echtscheidingsconvenant met betrekking tot de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw het navolgende overeengekomen: “2.1. De man zal met ingang van de datum van de echtscheiding gedurende een periode van 5 jaar bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand aan de vrouw voldoen een bedrag van ƒ2.250,-- bruto, als bijdrage in haar levenonderhoud. Dit beding kan niet bij rechterlijke uitspraak worden gewijzigd op grond van een wijziging van omstandigheden behoudens het bepaald in artikel 1:159 lid 3 BW. 2.2. Deze alimentatie is te beginnen met ingang van 01-01-1999 onderworpen aan de wettelijke indexering als bedoeld in art. 1:402a BW. 2.3. Na de periode van 5 jaar zoals genoemd in artikel 2.1 is de alimentatie wijzigbaar, afhankelijk van het inkomen van de vrouw. Daarbij verplicht de vrouw zich tot een inspanningsverplichting om zelfsupporting te zijn. 2.4. Partijen zullen de rechter verzoeken de overeengekomen alimentatie bij beschikking - voorzover mogelijk – vast te leggen. Ingeval van verschil tussen de beschikking en de tekst van dit convenant prevaleert het convenant.” Bij de vraag welke bedoeling partijen bij de hiervoor aangehaalde bepalingen uit het convenant hebben gehad, komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De omstandigheden waaronder het convenant is gesloten in onderlinge samenhang bezien met de tekst van artikel 2 van het convenant leidt, hoewel partijen het oneens zijn over de gang van zaken bij het sluiten van het convenant, naar het oordeel van het hof tot de conclusie dat partijen onder de gegeven omstandigheden geen andere zin daaraan hebben kunnen toekennen en van elkaar redelijkerwijs niets anders mochten verwachten dan dat als uitgangspunt gold dat de vrouw met een fulltime salaris in het onderwijs geheel in haar eigen behoefte/ levensonderhoud kon voorzien, dat de man gedurende vijf jaar na de echtscheiding het ten tijde van het sluiten van het convenant door de vrouw genoten parttime salaris met een niet te wijzigen bedrag van ƒ 2.250,= per maand (met indexering met ingang van 1 januari 1999) zou aanvullen tot een bedrag ter hoogte van een fulltime salaris en dat –indien de vrouw na vijf jaar nog geen fulltime inkomen zou genieten (nog niet “zelfsupporting” zou zijn) – de man het inkomen van de vrouw zou blijven aanvullen tot bedoeld fulltime inkomen. Het hof is van oordeel dat geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat partijen bewust de behoefte van de vrouw hebben gesteld op het door haar te genereren fulltime inkomen in het onderwijs, waarmee partijen tevens de hoogte van de door de man te betalen alimentatie hebben bepaald, te weten ƒ 2.250,= per maand (met indexering) gedurende de eerste vijf jaar na de echtscheiding en mogelijk een ander bedrag na die periode, afhankelijk van het inkomen van de vrouw. Het hof gaat ervan uit dat zulks een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven inhoudt, nu de man heeft gesteld dat is afgeweken van de wettelijke maatstaven en de vrouw dit niet, althans onvoldoende heeft betwist. Het hof gaat er zonder meer van uit dat de vrouw zich de afwijking heeft gerealiseerd, nu immers niet is betwist dat er voorafgaande aan het sluiten van het convenant een voorlopige voorzieningenbehandeling heeft plaatsgevonden, waarbij de advocaat van de vrouw zich heeft bediend van een pleitnota, voorzien van alimentatieberekeningen en er ook overigens over en weer berekeningen zijn gemaakt, gebaseerd op de wettelijke uitgangspunten met betrekking tot behoefte en draagkracht. Ook acht het hof van belang dat de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft gezegd eieren voor haar geld te hebben gekozen alsmede dat zij haar huidige advocaat, die destijds het convenant aan de rechtbank zond teneinde dit in de echtscheidingsbeschikking vast te laten leggen, destijds heeft gevraagd de zaak te laten rusten. Nu partijen bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven geldt, dat de rechter slechts tot een wijziging van de overeenkomst betreffende levensonderhoud mag overgaan, indien de verzoeker stelt en de rechter aannemelijk oordeelt dat na het tot stand komen van de overeenkomst een wijziging van omstandigheden is ingetreden die meebrengt dat de wederpartij, in het licht van alle dan bestaande omstandigheden, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Gezien de aan de echtgenoten toekomende vrijheid de financiële gevolgen van hun echtscheiding zelf te regelen, zal de rechter zowel bij zijn oordeel of aan deze voorwaarde is voldaan, als, zo dit het geval is, bij de uitoefening van zijn bevoegdheid tot wijziging van de omtrent het levensonderhoud getroffen regeling, terughoudendheid moeten betrachten. Dit brengt mee dat hij bij een eventuele wijziging van de uitkering tot levensonderhoud zoveel mogelijk aansluiting moet zoeken bij hetgeen partijen bij hu overeenkomst voor ogen stond (HR 12 september 20-03, NJ 2004/6).
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
