Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSHE:2003:AF8397

Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 11-02-2003 · zaaknummer 99/30524

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Inspecteur voor de gezondheidszorg is bestuursorgaan als bedoeld in art. 1:1.1.a Awb. Mededeling, gedaan in diens kwaliteit als opsporingsambtenaar, is niet gericht op rechtsgevolg. Mededeling aan verzoekster, die handelt in tabletten van het merk Sigra, dat het verhandelen daarvan ingevolge de Wet op de Geneesmiddelenvoorzieningen (WOG) en de Wet op de Economische Delicten (WED) een strafbaar feit oplevert en dat verzoekster het verhandelen van Sigra met onmiddellijke ingang dient te beëindigen. De vraag is of de mededeling kan worden aangemerkt als een besluit waartegen bezwaar mogelijk is. De voorzieningenrechter stelt - onder verwijzing naar art. 36 Gezondheidswet (Gw) en de artikelen 1 en 2 van het Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid (Bsv) - vast dat verweerder moet worden aangemerkt als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1.1.a Awb. De mededeling staat niet op zichzelf, maar is door verweerder gedaan in het kader van zijn rol als orgaan dat is belast met het opsporen van feiten die ingevolge de WOG (en de WED) strafbaar zijn. Aldus bezien, heeft verweerder in zijn kwaliteit van opsporingsambtenaar een eigen interpretatie gegeven van de WOG. Op basis van onderzoek is hij immers tot de conclusie gekomen dat Sigra moet worden aangemerkt als een geneesmiddel in de zin van art. 1.1.e WOG, terwijl deze conclusie heeft geleid tot het in gang zetten van een strafrechtelijke procedure. In zoverre heeft de mededeling een rechtsgevolg, namelijk dat de Officier van Justitie (OvJ) thans in staat en verplicht is om te beslissen of verzoekster daadwerkelijk strafrechtelijk wordt vervolgd. Dit is echter geen publiekrechtelijk rechtsgevolg dat kan leiden tot rechtsbescherming op grond van de Awb, zulks gelet op art. 1:6.a van deze wet. Verweerder beschikt bij het houden van toezicht op de naleving van art. 3.4 WOG niet over eigen bestuursrechtelijke bevoegdheden. Er bestaat immers geen voorschrift dat aan verweerder de bevoegdheid verschaft om bindend vast te stellen dat een product is aan te merken als geneesmiddel in de zin van art. 1.1.e WOG, en evenmin de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang of de oplegging van een last onder dwangsom wegens de overtreding van art. 3.4 WOG. De mededeling is terecht aangemerkt als een brief die op grond van art. 1:3.1 Awb niet vatbaar is voor bezwaar. De Inspecteur voor de Gezondheidszorg, verweerder. mr. H. Lagas Awb 1:1.1.a, 1:3, 1:6 Wet op de Geneesmiddelenvoorzieningen 1.e, 33 Wet op de Economische Delicten Gezondheidswet 36 Besluit Staatstoezicht op de volksgezondheid 1, 2

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.