ECLI:NL:GHSHE:2001:AD4832
Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 20-06-2001 · zaaknummer 20.001781.00
Inhoudsindicatie
Het hof acht onvoldoende aannemelijk dat de verdachte op het moment van het begaan van het feit door externe omstandigheden geestelijk in een zodanige toestand verkeerde dat hij redelijkerwijs niet anders kon of behoorde te handelen dan hij gedaan heeft. Zulks op grond van de volgende in onderlinge samenhang te beschouwen redenen. 1. Het hof acht aannemelijk dat verdachte tot zijn handelen kwam niet als reactie op een acute levensbedreigende situatie voor hemzelf , zijn vader en zijn gezin, maar als gevolg van zijn besluit tot de aanval over te gaan door [slachtoffer] met zijn auto achterna te rijden, nadat [slachtoffer] vertrokken was op zijn bromfiets. Uit de hierboven weergegeven verklaring van verdachte blijkt immers dat verdachte begreep dat [slachtoffer] niet terstond zijn bedreigingen ging uitvoeren; hij verklaart dat [slachtoffer] tot twee keer toe "morgen" als tijdstip noemde van het uitvoeren van zijn dreigementen, hetgeen ook strookt met het vertrek van [slachtoffer]. 2. Verdachte was volgens het rapport van prof. dr. Van Leeuwen verminderd wilsvrij ten tijde van het delict. In zijn reactie op de bedreigingen heeft meegespeeld de onderzochte tekorten in zijn persoonlijkheidsstructuur, met name het gering probleemoplossend vermogen van verdachte en het gebrek aan innerlijke zelfzekerheid en innerlijk houvast, aldus de hoogleraar. Het hof verbindt hieraan de conclusie dat verdachte inzicht had in het ongeoorloofde van zijn handelen en dat zijn gering probleemoplossend vermogen, gebrekkige innerlijke zelfzekerheid en innerlijk houvast niet noodzakelijkerwijs met zich brengen dat verdachte zich hoefde te gedragen zoals hij zich gedragen heeft, ook niet in de situatie dat verdachte cocaïne gebruikt had. 3. Voor verdachte stonden redelijke, voor de handliggende, voor hemzelf of anderen nauwelijks belastende alternatieven open zichzelf, zijn vader en zijn gezin tegen de dreigementen van [slachtoffer] te beschermen. Nu verdachte begrepen had dat [slachtoffer] zei dat de dreigementen de dag erna uitgevoerd zouden worden restte hem tijd de genoemde personen te waarschuwen en beschermingsmaatregelen te treffen, bijvoorbeeld de hulp van de politie inroepen. 4. Op grond van de redenen 2 en 3 oordeelt het hof dat in deze zaak geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die tot gevolg hebben dat het door de raadsman gestelde "enig naijlen van de overmachtsituatie in de beleving van de verdachte, ofschoon de netelige situatie op zichzelf beschouwd al opgeheven was," de conclusie van psychisch overmacht rechtvaardigen. 5. Op grond van het voorgaande behoorde verdachte anders te handelen dan hij gedaan heeft, mede ook omdat het handelen van verdachte de dood van [slachtoffer] had kunnen veroorzaken.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
