Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8661

Gerechtshof 's-Gravenhage · 10-05-2006 · zaaknummer 2200

StrafrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

KB-lux zaak: beroep op una via en gelijkheidsbeginsel Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging Una via-beginsel De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, nu de onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten fiscaalrechtelijk - door oplegging van aanslagen inkomstenbelasting met boete - door de belastingdienst zijn afgedaan. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge artikel 69a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervalt het recht tot strafvervolging op de voet van artikel 69 van die wet, indien met betrekking tot een vergrijp als bedoeld in artikel 67d of 67e van die wet aan de belastingplichtige een bestuurlijke boete is opgelegd. Ingevolge die bepalingen kan de inspecteur vergrijpboetes opleggen ter zake van belastingen die op aanslag worden geheven, waaronder de inkomsten- en vermogensbelasting. Uit de door de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat aan de verdachte over de jaren 1991, 1992, 1993, 1994, 1995, 1999 en 2000 vergrijpboetes zijn opgelegd. Over de tenlastegelegde periode - de jaren 1996, 1997 en 1998 voor inkomstenbelasting en de jaren 1997 en 1998 voor vermogensbelasting - heeft de belastingdienst geen boetes opgelegd, maar alleen navorderingsaanslagen. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van de verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten. De raadsman heeft voorts gesteld dat de afdoening van de zaak, mede gezien de aan de verdachte gedane toezegging door de verhorende ambtenaren van fiscale afdoening van de zaak indien hij aan het onderzoek zou meewerken, niet per jaar van overtreding dient te worden bezien, doch als één feit gedurende een aantal jaren. Deze stelling vindt geen steun in het recht, terwijl niet blijkt dat zulk een toezegging met betrekking tot de feiten in de tenlastegelegde periode is gedaan. Subsidiair heeft de raadsman bewijsuitsluiting bepleit voor zover het bewijs voor de tenlastegelegde feiten door verdachtes medewerking met de FIOD is verkregen, nu hem de genoemde toezegging zou zijn gedaan. Het hof merkt dienaangaande op dat bij de getuigenverhoren ter terechtzitting in hoger beroep noch uit het dossier van een dergelijke toezegging door de FIOD is gebleken en dat het hof het, mede gezien de wijze van afdoening van de feiten door de belastingdienst en het openbaar ministerie niet aannemelijk acht dat aan de verdachte een toezegging in die bewoordingen is gedaan. Gelijkheidsbeginsel De verdediging heeft voorts in hoger beroep gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging, aangezien de officier van justitie in strijd met de vervolgingsrichtlijnen voor de zogenaamde KB-Luxzaken om bij saldi boven fl.500.000,- op een bankrekening in Luxemburg op 1 januari 1994 strafrechtelijk te vervolgen, in deze zaak heeft gedagvaard. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Met betrekking tot de KB-Luxzaken hebben de belasting-dienst en het openbaar ministerie criteria opgesteld, met betrekking tot de vraag of er bij constatering van vermoedelijke fiscale fraude in verband met verzwegen bankrekeningen van Nederlanders bij de Kredietbank Luxembourg in Luxemburg voor een strafrechtelijke afdoening moet worden gekozen, dan wel voor een bestuurlijke boete of aanbieding van een transactie. Strafvervolging wordt verkozen bij vervulling van een van de navolgende criteria: - Saldo van minimaal f. 500.000,-; - Aangiften IB voor zoveel mogelijk aanwezig; - Evenwichtige rechtshandhaving (o.a. voorbeeldfunctie van de rekeninghouder); - Rekeninghouder over het algemeen niet ouder dan 70 jaar; - Inbreuk op ambtelijke integriteit; - Recidive. In bijzondere gevallen kan in afwijking van deze criteria worden besloten een strafrechtelijk onderzoek in te stellen. Het saldo van verdachtes bankrekening bedroeg op 1 januari 1994 fl. 458.770,= (AH-01). De stelling van de verdediging dat in casu in strijd met de beleidsafspraken is gehandeld, is, gelet op de tekst van de afspraken, de aard van de gepleegde overtredingen en de voorbeeldfunctie van de rekeninghouder toentertijd, niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt ook dit verweer. Nu ook overigens geen omstandigheden zijn gebleken die zouden moeten leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.