Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSGR:2006:AX8656

Gerechtshof 's-Gravenhage · 10-05-2006 · zaaknummer 2200301903

StrafrechtGepubliceerd 05-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Gelijkheidsbeginsel Namens de verdachte is aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte, nu het andere personen die precies hetzelfde hebben gedaan als de verdachte (naam 1, naam 2, naam 3 en naam 4) niet vervolgt. Deze handelwijze van het openbaar ministerie zou in strijd zijn met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder met het gelijkheidsbeginsel. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. Het in artikel 167, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering neergelegde opportuniteitsbeginsel houdt in dat het openbaar ministerie, op grond van zijn eigen verantwoordelijkheid, met betrekking tot het al dan niet strafrechtelijk vervolgen van verdachten de in het geding zijnde belangen kan afwegen. Deze belangenafweging staat, in geval van vervolging, in het algemeen niet ter beoordeling van de rechter. Slechts indien het openbaar ministerie in redelijkheid niet tot vervolging had kunnen besluiten, of wanneer anderszins sprake is van schending van enig beginsel van behoorlijke procesorde, kan het recht tot strafvervolging vervallen worden verklaard. Blijkens mededelingen van de advocaat-generaal ter terechtzitting in hoger beroep en van de officier van justitie ter terechtzitting in eerste aanleg (zie het proces-verbaal ter terechtzitting van 21 januari 2003, p. 2), heeft het openbaar ministerie om de volgende redenen besloten de door de verdediging genoemde medeverdachten niet te vervolgen; - naam 1 was reeds door de fiscus geheel 'uitgekleed'; - naam 2 is niet strafrechtelijk vervolgd op grond van bijzondere persoonlijke omstandigheden; - naam 3 werd op het moment van vervolging gezocht voor een groot aantal Opiumwetdelicten; - Tegen naam 4 had de Belgische fiscus al een fiscaal fraudeonderzoek ingesteld in het kader van de autohandel. In geen van de zaken van bovengenoemde medeverdachten is het hof gebleken dat het zaken betreft, die qua haalbaarheid en opportuniteit geheel overeenstemmen met de strafzaak tegen de verdachte, nog daargelaten dat het ten onrechte niet vervolgen van derden wier gedragingen evenzeer als die van een verdachte het voorwerp van strafvervolging dienen te zijn, niet zonder meer leidt tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging tegen een verdachte. Ook overigens is niet gebleken dat het openbaar ministerie ernstig inbreuk heeft gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde of doelbewust dan wel met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak te kort hebben gedaan. Het hof verwerpt de verweren op deze gronden. Het openbaar ministerie is, ook indien de aangevoerde gronden voor de niet-ontvankelijkheid in samenhang worden bezien, ontvankelijk in de vervolging. Strafmotivering De verdachte heeft gedurende ongeveer twee jaren, in de sfeer van een BTW-caroussel met auto's, onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan en heeft daartoe vele schijnfacturen doen opmaken. Dit zijn ernstige feiten waarmee grof geld wordt vergaard. Door aldus te handelen is de samenleving voor een aanzienlijk bedrag benadeeld. De verdachte heeft voorts het vertrouwen geschaad dat in het zakelijke verkeer in facturen met bewijsbestemming moet kunnen worden gesteld. Gelet op de omvang en de ernst van de feiten, kan naar het oordeel van het hof niet worden volstaan met een andere strafmodaliteit dan een vrijheidsbenemende straf. In beginsel acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk een passende en geboden reactie. Gelet echter op de mate waarin de redelijke termijn (in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM) bij de behandeling van de zaak is overschreden, zal het hof aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk, opleggen als navermeld.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [verdachte]

    verdachte · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.