ECLI:NL:GHSGR:2006:AV5198
Gerechtshof 's-Gravenhage · 16-03-2006 · zaaknummer 2200413105
Inhoudsindicatie
Rijswijkse stoeptegelmoord: 5 jaar gevangenisstraf Vrijspraak poging tot moord op de vrachtwagenchauffeur: Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. Het hof overweegt hiertoe als volgt. Het hof acht bewezen dat de medeverdachte Van G. de zak met puin alleen heeft gegooid. Nu de verdachte in deze geen uitvoeringshandelingen heeft verricht, dient te worden bezien of sprake is van feiten of omstandigheden waaruit niettemin moet worden geconcludeerd dat met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde een zodanig nauwe en volledige samenwerking tussen de verdachte en Van G. heeft bestaan dat sprake is van medeplegen door de verdachte. Het hof is van oordeel dat zodanige feiten of omstandigheden onvoldoende zijn komen vast te staan. Met name is niet gebleken dat de verdachte voorafgaand aan het gooien van de zak met puin daarover in instemmende zin met Van G. heeft gesproken dan wel anderszins heeft gecommuniceerd. Voorwaardelijk opzet: Uit de door het hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte en zijn mededader opzettelijk vanaf een over een snelweg gelegen viaduct min of meer zware stukken steen hebben laten vallen, en wel bewust op het moment dat een op die snelweg rijdende auto zich (zeer) dicht bij dat viaduct bevond. Van algemene bekendheid is dat een dergelijk handelen een aanmerkelijke kans schept op het ontstaan van dodelijk letsel bij inzittenden van die auto. Bij gebrek aan contra-indicatie op dit punt is het hof van oordeel dat het niet anders kan dan dat de verdachte – evenals zijn mededader – zich van die kans bewust is geweest en het ontstaan van dodelijk letsel als gevolg van dat handelen heeft aanvaard. Derhalve is verdachtes opzet in voorwaardelijke zin gericht geweest op de dood van het slachtoffer. Toepasselijk sanctierecht De raadsman heeft verzocht om toepassing van artikel 77c van het wetboek van Strafrecht. Het hof wijst dit verzoek af omdat in de rapportages met betrekking tot de persoon van verdachte onvoldoende reden is te vinden voor een dergelijke toepassing, terwijl de ernst van het bewezenverklaarde feit een contra-indicatie op dit punt vormt. Strafmotivering De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van moord op de wijze zoals hiervoor is bewezen verklaard. Verdachte en zijn mededader hebben zo doende aan het slachtoffer het leven ontnomen en onherstelbaar leed aan haar nabestaanden toegebracht. Bovendien heeft het feit in brede kring gevoelens van ontzetting en onveiligheid teweeggebracht. De buitengewone ernst van dit feit spreekt voor zich en behoeft geen nader betoog. Niettemin komt het hof tot oplegging van een lagere straf dan in het algemeen voor moord gebruikelijk is. Het hof overweegt hierover het volgende. Hoewel verdachtes handelen wettelijk moet worden gekwalificeerd als het medeplegen van moord valt anderzijds niet te loochenen dat dit delict zich hier in een a-typische verschijningsvorm voordoet. Levensberoving was niet het doel dat verdachte beoogde. Wel heeft verdachte met zijn gedragingen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat daarvan de dood van een ander het gevolg zou zijn, maar dit gedrag moet als van een beduidend minder crimineel gehalte worden beschouwd dan meestal bij moord het geval is.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
