Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHSGR:2006:AV2588

Gerechtshof 's-Gravenhage · 23-02-2006 · zaaknummer 2200147705

StrafrechtGepubliceerd 04-04-2013
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Kinderporno en andere zedenmisdrijven Vereiste van dubbele strafbaarheid Klachtvereiste Gemotiveerde deelvrijspraken, unallocated clusters "bezit" en "in voorraad hebben" Artikel 14a Sr in verband met artikel 1 lid 2 Sr (herijking Strafmaxima): Het hof is van oordeel dat de lange tijdsperiode, het aantal betrokken minderjarigen en de ernst van de thans bewezen verklaarde feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime tijd zouden rechtvaardigen. Nu echter de voorlopige hechtenis van de verdachte vanwege zijn gezondheidstoestand vanaf 8 juli 2005 is geschorst en verdachte inmiddels op vrijwillige basis reeds contact heeft gezocht met het DOK te Rotterdam omdat hij tot de conclusie is gekomen dat hij behandeld dient te worden, is het hof na ampele afweging van alle aan de orde komende belangen tot het oordeel gekomen dat maatschappelijk gezien deelname aan een behandeling moet worden bevorderd. Om evenwel de motivatie van de verdachte tijdens zo'n behandeling die geruime tijd in beslag zal nemen te ondersteunen, meent het hof dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal een jaar onvoldoende toereikend zou zijn. Bij de Wet herijking wettelijke strafmaxima van 22 december 2005, in werking getreden op 1 februari 2006, is onder meer artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht gewijzigd. Nu de wet terzake geen overgangsrecht kent, heeft het hof - mede gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 10 juli 2001, NJ 2002,482 - bezien of deze wijziging getuigt van een gewijzigd inzicht van de wetgever omtrent de strafwaardigheid van de feiten waarop die bepaling betrekking heeft dan wel is ingegeven door de wens de straftoemetingsmogelijkheden te verruimen en de rechter aldus in staat te stellen om een op de persoon van de dader toegesneden straf op te leggen. Bij de behandeling van het wetsvoorstel is in de Tweede Kamer het amendement Wolfsen aangenomen als gevolg waarvan artikel 14a is gewijzigd. In de toelichting op dit amendement staat onder meer "bij de langdurige behandeling van een zedendelinquent is de maximum voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar niet in alle gevallen toereikend. Een veroordeelde zal meer gemotiveerd zijn tot deelname aan een bijzondere voorwaarde als hij ook in strafzwaarte te winnen heeft bij deelname. Door het maximum als voorwaardelijk op te leggen gevangenisstraf te verhogen tot twee jaar kan het evenwicht tussen een zware bijzondere voorwaarde bij een voorwaardelijke veroordeling en de daar tegenover staande gevangenisstraf worden hersteld". Bezien in de context van het wetsvoorstel - dat beoogde de op strafbare feiten gestelde strafmaxima meer tot uitdrukking te laten brengen in welke mate het feit maatschappelijk onaanvaardbaar wordt geacht - geeft naar het oordeel van het hof de in dit amendement en daarmee door de wetgever aanvaarde wijziging van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht mede blijk van een gewijzigd inzicht van de wetgever. Op grond van het bepaalde in artikel 1 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht moet vervolgens worden bezien welke bepaling voor de verdachte het gunstigst is. Nu de afweging voor het hof is ofwel het opleggen van een langere onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf ofwel het opleggen van een groter voorwaardelijk deel dan op basis van artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht oud mogelijk is, zal het hof met toepassing van het per 1 februari 2006 geldende artikel 14a van het Wetboek van Strafrecht een langere voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen, met de nader te noemen bijzondere voorwaarde. Gelet op de hiervoor aangeduide afweging, is toepassing van de nieuwe bepaling voor de verdachte gunstiger. Het hof is er bij de oplegging van het onvoorwaardelijk deel van de gevangenisstraf van uitgegaan dat de door de verdachte in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf, rekening houdend met de regeling van vervroegde invrijheidstelling. De bij het voorwaardelijk deel van de gevangenisstraf behorende proeftijd zal worden gesteld op drie jaren teneinde een zo ruim mogelijk kader te scheppen waarbinnen de behandeling van de verdachte plaats zal kunnen vinden.

Rechters

In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.

Advocaten

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.