ECLI:NL:GHLEE:2007:BA6747
Gerechtshof Leeuwarden · 06-06-2007 · zaaknummer 0300311
Inhoudsindicatie
Appellant bestrijdt niet dat hij en [betrokkene 1] (op grond van het bepaalde in artikel 2:351 lid 1 BW) als bestuurders van SB gehouden waren “alle inlichtingen te verschaffen” die nodig waren voor de uitvoering van het door de Ondernemingskamer ingestelde onderzoek. Hij meent echter dat hij die inlichtingen op een andere (kennelijk voor hem gunstiger) wijze had kunnen presenteren, als hij had geweten dat de curator in het faillissement van SB hem (alsnog) persoonlijk aansprakelijk zou stellen. Derhalve zou hij in een ongunstige bewijspositie zijn komen te verkeren. Het hof kan appellant in dat betoog niet volgen. Gegeven gemelde in artikel 2:351 BW neergelegde verplichting, diende appellant op de door de hem door de onderzoeker voorgelegde vragen naar waarheid te antwoorden. Niet valt in te zien hoe appellant op de hem gestelde vragen een ander – voor hem gunstiger – antwoord had kunnen geven, zonder de waarheid geweld aan te doen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
