ECLI:NL:GHLEE:2007:AZ9995
Gerechtshof Leeuwarden · 06-03-2007 · zaaknummer 24-001755-06
Inhoudsindicatie
Ademanalyse uitgevoerd door een politieambtenaar die daartoe ten tijde van het afnemen van de ademanalyse niet was aangewezen door de korpschef, als bedoeld in artikel 7, eerste lid van het Besluit alcoholonderzoeken (BAO). In casu was de betrokken politieambtenaar aangewezen door de districtschef, terwijl een schriftelijk mandaat ontbrak. Door de raadsman van verdachte is aangevoerd, dat op grond van deze omstandigheid verdachte dient te worden vrijgesproken, omdat geen sprake is geweest van een "onderzoek" als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Hof: Een van de voorschriften, die tot het stelsel van strikte waarborgen behoren is art. 7 BAO. De ratio van artikel 7 BAO is dat de ademanalyse moet worden afgenomen door een daartoe bekwame opsporingsambtenaar. De aanwijzing is slechts met dat doel in dit artikel opgenomen. Dat betekent, dat het ontbreken van de aanwijzing door de korpschef slechts dan tot consequentie moet hebben dat niet meer gesproken kan worden van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder a WVW 1994, wanneer daarmee niet meer kan worden vastgesteld of het ademonderzoek een betrouwbaar meetresultaat heeft opgeleverd of wanneer het ontbreken van de aanwijzing het vermoeden meebrengt dat het mislukken van de ademanalyse te maken kan hebben met het ontbreken van voldoende kennis en vaardigheden bij de verbalisant. In dit verband is van belang, dat een groot deel van de procedure om te komen tot een geldig resultaat van de ademanalyse in het apparaat is vastgelegd en wordt geregistreerd in de afdruk van het resultaat. Fouten bij de bediening van het ademanalyseapparaat worden door de techniek opgevangen en leiden tot een onbruikbaar resultaat. Nu blijkt dat de betrokken politieambtenaar is opgeleid voor het bedienen van het ademanalyseapparaat en in aanmerking nemend dat in feite aan de aanwijzing van de politieambtenaar slechts een schriftelijk mandaat ontbreekt, terwijl aannemelijk is dat dit berust op een omissie, en niet aannemelijk is dat de beslissing van de districtschef in strijd is met hetgeen de korpschef zou hebben besloten, is het hof van oordeel, dat het ontbreken van de aanwijzing door de korpschef als bedoeld in art. 7, eerste lid, BAO niet meebrengt dat geen sprake meer is van een onderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, onder a, WVW 1994. Gelet op de aard van het verzuim en de geringe ernst ervan zal, nu enig concreet nadeel in deze zaak niet is gebleken, het hof aan dit onherstelbare vormverzuim geen van de in art. 359a Sv opgesomde consequenties verbinden. Het verweer wordt verworpen.
Advocaten
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
