ECLI:NL:GHLEE:2006:AY9586
Gerechtshof Leeuwarden · 04-10-2006 · zaaknummer 0400082
Inhoudsindicatie
Ingevolge het genoemde tussenarrest van 6 april 2005 dient [appellant] ten eerste (bewijsopdracht onder a.) te bewijzen dat tussen partijen is overeengekomen dat de oorspronkelijk overeengekomen werkzaamheden zouden worden verricht in de periode 1 tot 20 november 1998. Over dit onderdeel van de bewijsopdracht hebben verklaard de partijgetuige [appellant], zijn ex-echtgenote [getuige 1] en [getuige 3] (vennoot van partij Stroobos). Aan de verklaring van de partijgetuige [appellant] komt op grond van artikel 164 lid 2 Rv. alleen bewijskracht toe als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. [appellant] heeft verklaard dat hij over de reparatiewerkzaamheden half oktober 1998 op zijn schip te Sluis-Huntel in Duitsland met [getuige 3] een afspraak heeft gemaakt inzake de reparatiewerkzaamheden; hij kan zich niet herinneren of er nog iemand bij dit gesprek aanwezig is geweest, maar weet nog wel dat zijn ex-echtgenote destijds van dit gesprek op de hoogte was. [appellant] verklaart voorts dat het duidelijk was dat zijn schip op 20 november van de werf van Stroobos weg moest kunnen varen, omdat zijn ex-echtgenote en hij dan met vakantie zouden gaan. Deze verklaring wordt gesteund door de verklaring van [getuige 1]; zij heeft verklaard dat zij bij het genoemde gesprek met [getuige 3] aanwezig was. Zij herinnert zich dat het schip op de 20e november klaar zou zijn, omdat haar ex-man en zij op de 21e zouden vertrekken voor een vakantie in Roemenië. [getuige 3] heeft daarentegen verklaard dat een dergelijke afspraak niet is gemaakt. Het hof is van oordeel dat het bewijs op dit punt door [appellant] niet is geleverd. Afgezien van de verklaring van [appellant] zelf zijn er slechts de twee tegenover elkaar staande verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 3], die elkaar neutraliseren. Hierbij overweegt het hof nog dat voor de verklaring van [getuige 3], omdat op Stroobos geen bewijslast rust, niet de beperking van de bewijskracht van artikel 164 lid 2 Rv. geldt. Er bestaat ook geen reden om meer of minder waarde toe te kennen aan de verklaring van [getuige 1] als gewezen echtgenote van [appellant] en aan de verklaring van [getuige 3] als vennoot van Stroobos. Er is derhalve geen voldoende sterk bewijs voorhanden, dat de verklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maakt om op dit punt tot bewijs te dienen. Ook overigens hebben de getuigen niets verklaard over een termijn, waarbinnen de werkzaamheden van Stroobos voltooid moesten zijn. Het hof stelt derhalve vast dat vast dat een dergelijke termijn niet tussen partijen is overeengekomen.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
