ECLI:NL:GHDHA:2026:551
Gerechtshof Den Haag · 18-03-2026 · zaaknummer 200.355.856/01
Inhoudsindicatie
Huwelijksvermogensrecht. De man heeft tijdens huwelijk (indirect) geïnvesteerd in woning van de vrouw door af te lossen op de hypothecaire geldlening en renovatiekosten uit zijn eigen vermogen te voldoen. Het hof oordeelt – onder verwijzing naar hof Den Haag 4 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:180 – dat de vergoeding ter zake de aflossing (alsmede vanwege de renovatie) moet worden berekend op grond van art. 1:87 lid 2 onder b BW. Het hof gaat in op de parlementaire geschiedenis en tevens op de vraag of art. 1:87 lid 2 onder b BW ook van toepassing is bij vergoedingsrechten die zijn ontstaan door maandelijkse aflossingen en wat dat betekent voor de praktische uitvoerbaarheid. Het hof wijst op de mogelijkheid de vergoeding te schatten (art. 1:87 lid 5 BW). Voor wat betreft de waarde van de woning ten tijde van de desbetreffende aflossing hebben partijen in deze zaak ter zitting ermee ingestemd dat het hof aansluit bij de WOZ-waarde per 1 januari van het jaar waarin de desbetreffende aflossing werd gedaan.
Rechters
In deze uitspraak zijn geen namen van rechters gepubliceerd.
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
