ECLI:NL:GHDHA:2022:321
Gerechtshof Den Haag · 02-03-2022 · zaaknummer 2200323219
Inhoudsindicatie
Aan de verdachte is tenlastegelegd het doden van een hond ex artikel 2.10 van de Wet Dieren (WD) . Het Openbaar-Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging omdat de Richtlijn voor strafvordering dierenmishandeling en dierenverwaarlozing 2015R017 en 2021R005 van het College van procureurs-generaal (de Richtlijn) bepaalt dat bij het doden van een gehouden dier artikel 2.10 WD van toepassing is en bij het doden van een dier van een ander artikel 350 lid 2 Sr van toepassing is. Aan de zijde van het OM is iedere motivering uitgebleven dat er sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen, althans rechtvaardigen, dat van het bepaalde in de Richtlijn zou moeten worden afgeweken.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
