ECLI:NL:GHDHA:2021:36
Gerechtshof Den Haag · 06-01-2021 · zaaknummer BK-20/00483
Inhoudsindicatie
Belanghebbende exploiteert een woonzorgcentrum. In geschil is of dat woonzorgcentrum moet worden aangemerkt als woning in de zin van artikel 220a, tweede lid van de Gemeentewet. Partijen verschillen van mening of de gezamenlijke woonkamers met keukens kwalificeren als delen van de onroerende zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden. Bij de beoordeling of de woonkamers dienen tot woning past het Hof het zogenoemde geschiktheidscriterium toe. Aan de hand van dat criterium kan een onroerende zaak als woning worden aangemerkt indien de voor de onroerende zaak vastgestelde waarde in hoofdzaak is toe te rekenen aan delen daarvan die naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn om enigszins duurzaam voor menselijke bewoning te dienen. Het Hof is van oordeel dat de woonkamers naar aard en inrichting bestemd en geschikt zijn tot woning te dienen. Dat in de woonkamers ook zorg wordt verleend aan de bewoners doet aan dat oordeel niet af. Aangezien is voldaan aan het criterium dat de woonkamers dienen tot woning behoeft geen beoordeling plaats te vinden of de woonkamers volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[belanghebbende]
belanghebbende · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
