ECLI:NL:GHDHA:2020:503
Gerechtshof Den Haag · 07-02-2020 · zaaknummer BK-19/00280
Inhoudsindicatie
In hoger beroep is in geschil - naast de hoogte van de aansprakelijkstelling - of belanghebbende ter zake van het onbetaald blijven van de in geding zijnde belastingschulden kennelijk onbehoorlijk bestuur in de zin van artikel 36, lid 3, van de Wet is te verwijten, meer in het bijzonder of hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Wat dat betreft houdt partijen, zo hebben zij op de zitting bevestigd, uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of toepassing van de door de Hoge Raad in overweging 3.5.2 van het verwijzingsarrest verwoorde toetsingscriteria tot de conclusie leiden dat belanghebbende terecht aansprakelijk is gesteld. Het geschil spitst zich wat dat aangaat toe op de vraag of de BV destijds heeft besloten haar activiteiten te beëindigen. Voor de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken. De Ontvanger neemt niet meer het standpunt in dat voor de betalingen door de BV aan de bank een verwijt aan belanghebbende kan worden gemaakt.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
