ECLI:NL:GHDHA:2019:656
Gerechtshof Den Haag · 25-03-2019 · zaaknummer 22-002576-18
Inhoudsindicatie
Mishandeling van moeder en zus, vernielingen en bedreiging. Verwerping beroep op noodweer. Niet aannemelijk dat zus en/of moeder geweld hebben gebruikt tegen de verdachte voordat hij hen sloeg. Het in reactie op het door het huis schoppen en naar buiten gooien van de kleding en een tas van de verdachte – voor zover dat in de gegeven situatie al kan worden beschouwd als een wederrechtelijke aanranding van een goed a.b.i. art. 41 Sr – met kracht met de vuist in het gezicht slaan van zijn zus en moeder staat in een onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Het hof legt (anders dan de rechtbank) geen ISD-maatregel op. De ernst van de feiten in samenhang bezien met de frequentie van recidive vormt mede gelet op de onbehandelbaarheid van de verdachte onvoldoende aanleiding om oplegging van een ISD-maatregel te kunnen rechtvaardigen. Veroordeling tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
