Place4Law · het juridische netwerkLive in Nederland · editie 2026
Place4Law: weegschaal, verbonden handen

ECLI:NL:GHDHA:2019:1949

Gerechtshof Den Haag · 09-07-2019 · zaaknummer BK-17/00878

Bestuursrecht; BelastingrechtGepubliceerd 17-07-2019
Deel LinkedIn

Inhoudsindicatie

Erfbelasting. Toepassing art. 10 lid 1 Successiewet 1956. Moeder brengt haar vermogen in de nalatenschap van vader. De tussen moeder en vader van belanghebbende overeengekomen huwelijkse voorwaarden (HV) houden geen verplicht finaal verrekenbeding in. De in art. 2 lid 1 HV, opgenomen verplichting van de echtgenoten tot deling bij helfte van de waarde van beider vermogens, treedt blijkens de duidelijke bewoordingen van deze bepaling niet in dan na een – eerste – verzoek van één van hen. Aangezien een dergelijk verzoek in dit geval de vader wegens zijn overlijden, niet meer kan bereiken, kan op basis van het eerste lid geen verplichte verrekening meer intreden. Er kan ook geen uitkering plaatsvinden als bedoeld in art. 2 lid 2 HV omdat na overlijden het huwelijk is opgehouden te bestaan en er geen sprake meer is van echtgenoten. Art. 3 HV bepaalt weliswaar dat deling ook kan worden gevorderd binnen zes maanden na het eindigen van het deelgenootschap, maar dat daaronder niet is te begrijpen een eindigen door overlijden van een of beide echtgenoten. Artikel 4 HV houdt een regeling in het geval beide echtgenoten samen zijn overleden. De moeder en de vader hebben geen andere bedoeling willen geven aan de HV. Het vruchtgebruik van moeder is ten laste gekomen van het vermogen dat belanghebbende en zijn zus hebben verkregen in het kader van de nalatenschap van vader vanwege inbreng van dat vermogen door moeder. Tevens stelt het Hof vast dat de door belanghebbende (en zijn zus) verkregen vordering geen deel uitmaakte van de aangegeven verkrijging uit de nalatenschap van vader zoals blijkt uit de op 10 december 1999 opgelegde aanslag. Dit leidt er toe dat bij overlijden van moeder, de vordering van belanghebbende (en zijn zus) op grond van artikel 10, lid 1, SW moet worden aangemerkt als een fictieve erfrechtelijke verkrijging.

Advocaten

In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.

Partijen

  • [belanghebbende]

    belanghebbende · onbekend

Gemachtigden en juristen in deze zaak

In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.

Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.