ECLI:NL:GHDHA:2018:2173
Gerechtshof Den Haag · 11-07-2018 · zaaknummer 22-002146-16
Inhoudsindicatie
De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een ripdeal. De verdachte en zijn medeverdachten hebben met het slachtoffer in diens woning gezamenlijk in vertrouwelijke sfeer gedronken en gerookt. Toen de cocaïne van het slachtoffer eenmaal was getest, werd het slachtoffer bedreigd met geweld; de verdachte heeft een wapen tegen het hoofd van het slachtoffer geplaatst en hiermee (zachte) tikken gegeven. De verdachte en zijn mededaders zijn vervolgens met de cocaïne vertrokken, zonder dat zij daarvoor hadden betaald. Het onderliggende feitencomplex van de Nederlandse zaak maakte onderdeel uit van een Belgische veroordeling van de verdachte. Naar het oordeel van het hof staat het ne bis in idem beginsel niet in de weg voor een nieuwe berechting voor dit feit in Nederland, want uit de formulering van het Belgische vonnis valt niet op te maken dat de Nederlandse zaak op enige wijze in het Belgische vonnis is meegewogen, ook niet in de straftoemeting. Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van voorarrest.
Advocaten
In deze uitspraak zijn geen advocaten of gemachtigden met naam genoemd.
Partijen
[benadeelde partij]
benadeelde partij · onbekend
[verdachte]
verdachte · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
