ECLI:NL:GHDHA:2017:922
Gerechtshof Den Haag · 23-03-2017 · zaaknummer K16/0464
Inhoudsindicatie
Art. 12 Sv. Het beklag richt zich tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam om een politieambtenaar niet te vervolgen ter zake van doodslag. Het hof komt tot het oordeel dat beklaagde zich, in het korte moment waarop hij moest beslissen, gelet op de hem ter beschikking staande informatie en het gedrag van het latere slachtoffer, ten aanzien van het schieten – gelet op alle omstandigheden – met vrucht zal kunnen beroepen op (putatief) noodweer, waardoor het wederrechtelijke karakter van zijn handelen komt te ontbreken. Ook komt het hof tot het oordeel dat gelet op de afwegingen van beklaagde onder de gegeven omstandigheden het vuurwapengebruik voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het hof acht in hoge mate aannemelijk dat bij een voorlegging van deze zaak aan de strafrechter beklaagde zich met vrucht op een strafuitsluitingsgrond zou kunnen beroepen. Daarmee is het belang van klaagster bij vervolging ondergeschikt aan dat van beklaagde, om zich niet ter zake van de uitoefening van zijn functie als verdachte bij de strafrechter te moeten verantwoorden. Het hof deelt derhalve de visie van het openbaar ministerie en is van oordeel dat onder de gegeven omstandigheden terecht een vervolging van beklaagde achterwege is gelaten.
Rechters
Advocaten
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
