ECLI:NL:GHDHA:2013:5198
Gerechtshof Den Haag · 14-05-2013 · zaaknummer 200.037.505-01
Inhoudsindicatie
Appellant is in 1962 als religieus geprofest in de congregatie van geïntimeerde. Bij (ook in beroep bevestigd) decreet van 21 november 2003 is appellant van geintimeerde weggezonden wegens "obstinate disobedience to the lawful orders of Superiors in grave matters". Appellant stelt dat de wegzendingsprocedure niet zorgvuldig is verlopen (met gevorderde schade als gevolg) en dat de (canoniekrechtelijke) procedure niet met voldoende waarborgen is omkleed (art. 6 EVRM). Hof: het betreft hier een tuchtrechtelijke procedure die door de burgelijke rechter slechts marginaal getoetst kan worden. Bij de marginale toetsing is bij het verenigingsrecht zoals hier aan de orde, voor art. 6 EVRM geen plaats. Art. 6 EVRM richt zich tot de verdragstaten, niet rechtstreeks tot de burger. Wel reflexwerking mogelijk. Wegzendingsprocedure naar behoren verlopen. Vordering schadevergoeding afgewezen. Hof qualificeert relatie van partijen als een overeenkomst sui generis, niet als een arbeidsovereenkomst.
Advocaten
- A.G.W. Verstraten
- G.J.J. Heerma van Voss
- J.J. Roos
- S.R. Mellema
- T. van Kooten
Partijen
[appellant]
appellant · onbekend
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
