ECLI:NL:GHARN:2011:BU6543
Gerechtshof Arnhem · 15-11-2011 · zaaknummer 200.020.505 en 200.023.755
Inhoudsindicatie
BW 6:248, 7:348, 7:355, 7:363, 7:376. 1. De wettelijke regeling van de pacht gaat uit van persoonlijk gebruik door de pachter van het gepachte. Tot onderverpachting is volgens artikel 7:355 Burgerlijk Wetboek de pachter niet bevoegd, behoudens toestemming door de verpachter en tenzij partijen anders zijn overeengekomen. Overgang van de positie van de pachter op een derde kan de pachter uitsluitend afdwingen door indeplaatsstelling te vorderen, welke vordering alleen mogelijk is indien de derde behoort tot de in artikel 7:363 Burgerlijk Wetboek omschreven kring van personen, terwijl bovendien de pachtrechter in zo’n geval beoordeelt of de voorgestelde pachter voldoende waarborgen biedt voor een behoorlijke bedrijfsvoering. Uit de voorwaarden van de door pachter met een derde gesloten samenwerkingsovereenkomst, volgt dat het gepachte niet langer voor rekening van pachter wordt geëxploiteerd. Hij ontvangt een vergoeding van de derde voor (in feite) het gebruik van het gepachte en draagt geen teeltrisico. 2. Volgens artikel 7:348 Burgerlijk Wetboek is de pachter niet bevoegd de bestemming, inrichting of gedaante van het gepachte geheel of gedeeltelijk te veranderen dan na schriftelijke toestemming van de verpachter, tenzij het gaat om veranderingen en toevoegingen die bij het einde van de pacht zonder noemenswaardige kosten kunnen worden ongedaan gemaakt en verwijderd. Indien de verpachter weigert zijn toestemming te geven, kan de pachter de grondkamer om een vervangende machtiging vragen. Tussen partijen staat vast dat verpachtster geen toestemming heeft gegeven voor de aanleg van het betonpad en evenmin voor de aanleg van de daar bedoelde mestleidingen en mestputten en het dempen van de kavelsloot. Pachter heeft aangevoerd dat “al deze maatregelen” door de derde zonder zijn instemming zijn getroffen, maar hij voert niet aan dat hij zich op enigerlei wijze tegen de handelwijze van de derde heeft verzet. Een zodanig verzet had van hem als pachter wel mogen worden verwacht. 3. Voor zover pachter zich erop beroept dat de tekortkomingen de ontbinding van de pachtovereenkomst en haar gevolgen niet rechtvaardigen, falen de grieven. Het verwijderen van de aangebrachte voorzieningen leidt weliswaar tot aanzienlijke kosten bij pachter en/of de derde en doet gedane investeringen geheel of gedeeltelijk tenietgaan, maar in verband met de ernst van de tekortkomingen legt dat onvoldoende gewicht in de schaal. Pachter en de derde konden en hadden moeten voorzien dat ontbinding van de pachtovereenkomst en een gebod tot herstel in de oude toestand de consequentie van hun handelen konden zijn.
Advocaten
- F. Sepmeijer
- J.T. Fuller
- O.C. Struif
Gemachtigden en juristen in deze zaak
In deze uitspraak zijn geen gemachtigden of juristen met naam genoemd.
Bron: openbaar gepubliceerde uitspraak van de Rechtspraak. Wij tonen alleen de metadata en de inhoudsindicatie zoals gepubliceerd; de volledige uitspraak lees je bij de bron. Klopt er iets niet of wilt u dit niet zo? Meld het via de contactpagina.
